Translation of "Gaat" in Spanish

0.008 sec.

Examples of using "Gaat" in a sentence and their spanish translations:

- Waarover gaat het?
- Waar gaat het over?

¿De qué trata?

- Hoe gaat het?
- Hoe gaat het met je?
- Hoe gaat het ermee?
- Hoe gaat het met u?
- Hoe gaat het met jullie?

- ¿Cómo estás?
- ¿Qué tal?
- ¿Cómo te va?

- Wat gaat het kosten?
- Hoeveel gaat het kosten?

¿Cuánto costará esto?

- Het gaat misschien regenen.
- Misschien gaat het regenen.

- Es posible que llueva.
- Posiblemente llueva.
- Puede que llueva.
- Tal vez llueva.

- Hoe gaat het?
- Hoe gaat het met je?

- ¿Qué tal te va?
- ¿Cómo estás?
- ¿Qué tal?
- ¿Cómo te va?

- Het gaat sneeuwen vandaag.
- Het gaat vandaag sneeuwen.

Va a nevar hoy.

- Het gaat vanavond regenen.
- Vanavond gaat het regenen.

- Esta tarde va a llover.
- Esta noche va a llover.

- Het gaat mij goed.
- Mij gaat het goed.

Estoy bien.

Dit gaat daarop.

Esto va allí.

Dit gaat eromheen.

Miren, esto va alrededor.

Daar gaat hij.

Bien, aquí va.

Hoe gaat het?

¿Cómo anda?

Iedereen gaat dood.

Todo el mundo muere.

Het gaat regenen.

Va a llover.

Hoe gaat ie?

- ¿Qué tal?
- ¿Cómo va?

Tom gaat vooruit.

Tom está haciendo progresos.

Het gaat geweldig!

¡Todo va bien!

Het gaat ontploffen.

¡Eso va a explotar!

Gaat u zitten.

- Siéntese, por favor.
- Siéntense, por favor.
- Sentaos, por favor.

Het gaat prima.

Me va genial.

Het gaat sneeuwen.

Va a nevar.

De deurbel gaat.

Suena el timbre.

Wie gaat ernaartoe?

¿Quién va allí?

Maria gaat langzaam.

- María camina despacio.
- María anda despacio.

Gaat u heen?

- ¿Te vas?
- ¿Vosotros vais?

Je gaat studeren.

Tú estudiarás.

Gaat het regenen?

- ¿Va a llover?
- ¿Lloverá?

Gaat u ook?

¿Ustedes van también?

- Het gaat mij goed.
- Het gaat goed met mij.

- Estoy bien.
- Soy bueno.

"Het gaat niet om liefdadigheid. Het gaat om delen!"

"No se trata de caridad. Se trata de solidaridad"

- Gaat het goed met jullie?
- Gaat het goed met je?
- Gaat het goed met u?

¿Estás bien?

- Het gaat mij goed.
- Het gaat goed met mij.
- Mij gaat het goed.
- Ik ben in orde.
- Het gaat goed met me.

Me siento bien.

- Het gaat mij goed.
- Het gaat goed met mij.
- Mij gaat het goed.
- Ik ben oké.

Estoy bien.

- Hoe gaat het met u?
- Hoe gaat het met jullie?

¿Cómo está usted?

- De zon gaat weldra onder.
- De zon gaat zo onder.

Pronto se pone el sol.

- Hij gaat naar de kleuterschool.
- Hij gaat naar de peuterspeelzaal.

Él va al jardín infantil.

- Naar waar gaat deze trein?
- Waar gaat deze trein naartoe?

¿Adónde va este tren?

- Hé, hoe gaat het met je?
- Hoi, hoe gaat het?

- Hola, ¿qué tal?
- Hola, ¿cómo estás?

- Dat gaat je niks aan.
- Dat gaat je niets aan.

- ¡No es cosa tuya!
- Esto no es asunto tuyo.
- No es de tu incumbencia.

De zon gaat onder.

El sol está bajando.

Het gaat over kijken

sino trata sobre mirar

Het gaat als volgt.

Y es así:

gaat er niets veranderen.

no va a cambiar nada,

Onze strijd gaat door...

Nuestra lucha continuará

Dat gaat niet werken.

Eso no va a funcionar.

Plicht gaat voor alles.

El deber antes que todo.

Soms gaat alles fout.

A veces todo va mal.

Bill gaat winnen, nietwaar?

Bill va a ganar, ¿no cierto?

School gaat maandag open.

La escuela abrirá el lunes.

Hoe gaat het, Tom?

- ¿Cómo estás, Tom?
- ¿Cómo te va, Tom?

Gaat het morgen regenen?

¿Lloverá mañana?

Ze gaat zelden uit.

Ella pocas veces sale.

Wie gaat me helpen?

- ¿Quién me va a ayudar?
- ¿Quién me ayudará?

Het leven gaat verder.

La vida continúa.

Met geld gaat alles.

Con dinero, todo es posible.

Ze gaat naar avondschool.

- Ella asiste a la escuela por la noche.
- Ella va a la escuela de noche.
- Ella va a la escuela nocturna.

Wanneer gaat dat gebeuren?

¿Cuándo ocurrirá eso?

Hij gaat je helpen.

Él te va a ayudar.

Iets gaat niet goed.

Algo no anda bien.

Het gaat over kosten.

Es una cuestión financiera.

Morgen gaat het regenen.

- Mañana va a llover.
- Va a llover mañana.

Wat gaat er niet?

¿Qué anda mal?