Translation of "Hij" in Turkish

0.031 sec.

Examples of using "Hij" in a sentence and their turkish translations:

- Hij spreekt alsof hij alles weet.
- Hij praat alsof hij alles weet.

- Sanki her şeyi biliyormuş gibi konuşur.
- Sanki her şeyi biliyormuş gibi konuşuyor.
- Sanki her şeyi biliyor gibi konuşuyor.
- Her şeyi biliyormuş gibi konuşur.
- O her şeyi biliyormuş gibi konuşuyor.

- Hij denkt dat hij alles weet.
- Hij gelooft dat hij alles weet.

- O her şeyi bildiğini düşünüyor.
- O her şeyi bildiğini sanıyor.

Hij zegt wat hij denkt.

Açıkça konuşur.

- Hij speelde vals.
- Hij bedroog.

O hile yapıyordu.

- Hij loenste.
- Hij heeft geloenst.

O gözlerini kısarak baktı.

- Hij grinnikte.
- Hij heeft gegiecheld.

O kıkır kıkır güldü.

- Hij knipperde.
- Hij heeft geknipperd.

O göz kırptı.

- Hij hoestte.
- Hij heeft gehoest.

O öksürdü.

Hij weifelde voordat hij antwoordde.

O cevap vermeden önce duraksadı.

- Hij ging.
- Hij is weggegaan.

O gitti.

- Hij verkoopt groente.
- Hij verkoopt groenten.
- Hij verkoopt groentes.

O sebze satar.

- Hij ontkent dat hij dat gedaan heeft.
- Hij ontkent dat hij het gedaan heeft.

Bunu yaptığını inkar ediyor.

- Hij heeft hem vermoord.
- Hij vermoordde hem.
- Hij heeft hem gedood.
- Hij doodde hem.

O onu öldürdü.

Hij zei dat hij zou komen, en hij is gekomen.

Geleceğini söyledi ve geldi.

- Hij is zelf gekomen.
- Hij kwam zelf.
- Hij kwam persoonlijk.

O bizzat geldi.

- Hij gaf het op.
- Hij nam ontslag.
- Hij trad af.

O istifa etti.

- Hij ging akkoord.
- Hij stemde toe.
- Hij stemde ermee in.

O kabul etti.

Hij eet tot hij vol zit.

O doyuncaya kadar yer.

Hij praat alsof hij alles weet.

Sanki her şeyi biliyor gibi konuşuyor.

Hij bekende dat hij gelogen had.

O, yalan söylediğini itiraf etti.

- Hij werd geïrriteerd.
- Hij raakte geïrriteerd.

O tedirgin oldu.

- Hij wreekte zich.
- Hij nam weerwraak.

İntikâmını aldı.

- Hij studeert Chinees.
- Hij leert Chinees.

O Çince öğrenimi görüyor.

- Hij koopt medicijnen.
- Hij koopt medicamenten.

O ilaç satın alır.

- Hij verraadde je.
- Hij verraadde u.

O, sana ihanet etti.

- Hij had koppijn.
- Hij had hoofdpijn.

- Başı ağrıyordu.
- Onun başı ağrıyordu.

Hij kan doen wat hij wil!

İstediğini yapabilir!

Hij weet zeker dat hij komt.

Onun geleceğinden emin.

Hij zegt dat hij niet komt.

O gelmeyeceğini söylüyor.

- Hij ging snel.
- Hij liep snel.

O, hızla yürüdü.

Hij doet alsof hij gay is.

O eşcinsel olmuş numarası yapıyor.

- Hij heeft opgehangen.
- Hij hing op.

O, telefonu kapattı.

- Hij schrijft scripts.
- Hij schrijft scenario's.

O senaryolar yazar.

- Hij kan komen.
- Hij mag komen.

O gelebilir.

- Hij is vriendelijk.
- Hij is aardig.

O naziktir.

- Hij is ingedommeld.
- Hij dommelde in.

O şekerleme yaptı.

Hij zei dat hij arm was.

O, fakir olduğunu söyledi.

- Hij slaapt waarschijnlijk.
- Waarschijnlijk slaapt hij.

O, muhtemelen uyuyor.

- Hij speelt daar.
- Daar speelt hij.

O orada oynuyor.

- Hij werd opgepakt.
- Hij werd betrapt.

O yakalandı.

Hij deed alsof hij niet luisterde.

Dinlemiyormuş gibi davrandı.

- Hij werd woedend.
- Hij werd razend.

Öfkelendi.

- Hij heeft geld.
- Hij bezit geld.

Onun parası var.

- Waar is hij?
- Waar zit hij?

- O nerededir?
- O nerede?

Hij deed alsof hij ziek was.

O hastaymış gibi davrandı.

- Hij werd kwaad.
- Hij werd woedend.

Çok öfkelendi.

- Hij is overleden.
- Hij is dood

- O öldü.
- Öldü.

- Hij speelt piano.
- Hij kan pianospelen.

O, piyanoyu çalabilir.

Hij was uitgeput toen hij thuiskwam.

O, eve vardığında bitkindi.

- Hij wordt ouder.
- Hij wordt oud.

O yaşlanıyor.

- Hij knuffelde haar.
- Hij omhelsde haar.

Ona sarıldı.

- Hij stond op.
- Hij ging staan.

- O, ayağa kalktı.
- Ayağa kalktı.

- Hij is leraar.
- Hij is onderwijzer.

O bir öğretmen.

- Hij verafschuwt spinnen.
- Hij haat spinnen.

O örümceklerden nefret ediyor.

Hij zei dat hij zou komen.

- O geleceğini söyledi.
- Geleceğini söyledi.

- Is hij lang?
- Is hij groot?

- O uzun mu?
- O uzun boylu mu?

Hij gelooft dat hij alles weet.

O bunun hepsini bildiğini düşünüyor.

- Hij moet sterven.
- Hij moet dood.

O ölmeli.

Als hij tijd heeft, komt hij.

Eğer zamanı olursa, o gelir.

- Hij zei dat hij het kon doen.
- Hij zei dat hij het zou kunnen doen.

O, onu yapabileceğini söyledi.

- Hij deed alsof hij me niet had opgemerkt.
- Hij deed alsof hij me niet opmerkte.

Beni fark etmemiş gibi davranıyordu.

Hij denkt dat hij iemand is, maar eigenlijk is hij niemand.

O onun biri olduğunu düşünüyor ama aslında hiç kimse değil.

- Hij studeert.
- Hij is een student.
- Hij zit op de universiteit.

- O, bir öğrencidir.
- O, öğrencidir.

- Hij gelooft dat hij rijk is.
- Hij gelooft rijk te zijn.

Onun zengin olduğuna inanıyor.

hij zegt:

der ki;

Slaapt hij?

O, uyuyor mu?

Hij probeert.

O dener.

Hij lachte.

O güldü.

Hij huilde.

O ağladı.

Hij valt.

O düşüyor.

Hij rent.

O koşar.

Ademt hij?

O, nefes alıyor mu?

Hij verdween.

O kayboldu.

Hij versnelde.

O, hızlandı.

Hij glimlachte.

O gülümsedi.

Hij zweeg.

O sessiz kaldı.

Hij dronk.

İçiyordu.

Hij rende.

O koştu.

Hij slaapt.

O uyuyor.

Hij leest.

O okuyor.

Hij overdreef.

Çok uzağa gitti.

Hij kwam.

Geldi.

Hij luncht.

O öğle yemeği yiyor.

Hij schrijft.

O yazıyor.

Hij eet.

Yer.

Hij sprak.

O konuştu.