Translation of "Moet" in Hungarian

0.136 sec.

Examples of using "Moet" in a sentence and their hungarian translations:

Wat moet dat moet.

Ami muszáj, az muszáj.

- Ik moet ervandoor.
- lk moet gaan.
- Ik moet weg.

Mennem kell.

- Jij moet helpen!
- U moet helpen.

- Segítened kell.
- Segíteniük kell!

- Ik moet terug.
- Ik moet teruggaan.

Vissza kell mennem.

- Je moet gaan.
- Je moet vertrekken.

Menned kell.

- Ik moet gaan.
- Ik moet ervandoor.

Most mennem kell!

- Moet ik weg?
- Moet ik weggaan?

Mennem kell?

- Hij moet sterven.
- Hij moet dood.

Meg kell halnia.

- Het moet gewassen worden.
- Dat moet gewassen worden.
- Het moet worden gewassen.

Ezt ki kell mosni.

Je moet zo doen... Het moet leeg klinken.

Így kell inni... Üres hangja kell, hogy legyen.

- Je moet voorzichtig zijn.
- U moet voorzichtig zijn.

- Óvatosnak kell lenned.
- Vigyáznod kell.
- Figyelned kell.
- Elővigyázatosnak kell lenned.

- Ik moet onder de douche.
- Ik moet douchen.

Le kell zuhanyoznom.

- Ik moet gaan slapen.
- Ik moet naar bed.

Mennem kell aludni.

- Waar moet ik afstappen?
- Waar moet ik uitstappen?

Hol szálljak le?

- Waarom moet je ervandoor?
- Waarom moet je weg?

Miért kell menned?

- Ik moet me klaarmaken.
- Ik moet me gereedmaken.

Föl kell készülnöm.

- Ik moet naar het toilet.
- Ik moet plassen.

Pisilnem kell.

- Ge moet hem helpen.
- Je moet hem helpen.

Segítened kell neki.

- Dat moet gewassen worden.
- Dat moet worden gewassen.

Ezt ki kell mosni.

- Ge moet vooraf betalen.
- Je moet vooraf betalen.

Előre kell fizetned.

Natuurlijk moet dat.

Mindenképp.

Hij moet oppassen.

Óvatosnak kell lennie.

Hij moet handelen.

Cselekednie kell.

Je moet gaan.

Menned kell.

Ik moet overgeven.

Hányingerem van.

Ik moet studeren.

Tanulnom kell.

Ik moet gaan.

Mennem kellene.

Ik moet lachen.

- Nevetnem kell.
- Röhög a vakbelem.

Ik moet stofzuigen.

Porszívóznom kell.

Ik moet slapen.

- Aludnom kell.
- Szunyókálnom kell.
- Szundítanom kell.

Ik moet plassen!

Muszáj kimennem!

Moet ik studeren?

Tanulnom kell?

Moet ik meegaan?

Veled menjek?

Ik moet fietsen.

- Kerékpároznom kell.
- Bicikliznem kell.

Ik moet terug.

Vissza kell mennem.

Ik moet rusten.

Pihennem kell.

U moet beginnen.

Kezdened kell!

Moet ik doorgaan?

Folytassam?

Tom moet blijven.

Tamásnak maradnia kell.

Ik moet eten.

Ennem kell.

Moet ik gaan?

Menjek?

Dat moet niet.

Nem szükséges.

Je moet opstaan.

Föl kell kelned.

Ik moet plassen.

- Pipilnem kell.
- Csövelnem kell.

Moet ik leren?

Tanulnom kell?

Lk moet gaan.

- Muszáj mennem.
- Mennem kell.

Je moet luisteren.

Csöndben kell maradnod.

Je moet stoppen.

Abba kell hagynod.

Ik moet leren.

Tanulnom kell.

Ja, je moet.

Igen, muszáj.

Ik moet ervandoor.

Mennem kell.

Ik moet douchen.

Le kell zuhanyoznom.

U moet helpen.

- Segítenie kell.
- Segíteniük kell!

Dat moet beter!

Még jobban is lehet.

- Je moet werken.
- U moet werken.
- Jullie moeten werken.

Dolgoznod kell.

- Ik moet gaan winkelen.
- Ik moet boodschappen gaan doen.

Muszáj mennem bevásárolni.

- Ik moet mijn mobieltje opladen.
- Ik moet mijn gsm opladen.
- Ik moet mijn telefoon opladen.

Fel kell töltenem a mobilomat.

Men moet niet dwingen te leren. Leren moet men aanmoedigen.

A tanulást nem kényszeríteni, hanem bátorítani kell.

- Mijn horloge moet gerepareerd worden.
- Mijn horloge moet worden gerepareerd.

Meg kell javíttatnom az órám.

- Het gras moet besproeid worden.
- Het gras moet worden gesproeid.

Meg kell locsolni a pázsitot.

- Ik moet dringend gaan pissen.
- Ik moet dringend gaan plassen.

Sürgősen ki kell mennem pisilni.

- Ge moet naar huis gaan.
- Je moet naar huis gaan.

Haza kell menned.

En, moet ik zeggen,

Azt is meg kell mondanom,

moet je nu opletten:

kérem, figyeljenek jól,

Het leven moet beginnen --

Az élet szikrája –

Je moet gewoon ontspannen.

El kell engedned magad.

Hij moet ervoor gaan.

Nem szalaszthatja el.

De garnaal moet oppassen.

Óvatosan kell mozogni.

Je moet toegewijd zijn...

Elkötelezettnek kell lenni,

Ik moet onmiddellijk vertrekken.

Most kell mennem.

Ik moet gaan winkelen.

El kell mennem vásárolni.

Ik moet naar bed.

Le kell feküdnöm.

Ik moet gaan slapen.

- Mennem kell aludni.
- Aludni kell mennem.

Ik moet medicijnen gebruiken.

- Gyógyszert kell szedjek.
- Gyógyszert kell bevennem.

Ik moet nu gaan.

- Most mennem kell.
- Most el kell mennem.
- Muszáj most mennem.
- Most mennem kell!

Ik moet me scheren.

Meg kell borotválkoznom.

Ieder mens moet sterven.

Minden embernek meg kell halnia.

Moet ik alles opendoen?

Ki kell nyitnom mindent?

Ik moet Japans leren.

Japánul kell tanulnom.

Ik moet wiskunde studeren.

Matematikát kell tanulnom.

Wat moet ik meenemen?

Mit vigyek?

Ik moet het repareren.

Meg kell javíttatnom.

Ik moet haar helpen.

Segítenem kell neki.

Wat moet ik doen?

Mit kell tennem?