Translation of "Winkelen" in English

0.020 sec.

Examples of using "Winkelen" in a sentence and their english translations:

Universiteit, winkelen, muziek.

College, shopping, music.

Ik moet gaan winkelen.

I have to go shopping.

Ga je vaak winkelen?

Do you often go shopping?

Ik ben gaan winkelen.

I went shopping.

Maria moet gaan winkelen.

Maria needs to go shopping.

Moeder is net gaan winkelen.

Mother has just gone shopping.

Ze is verslaafd aan winkelen.

- She's a shopping addict.
- She's addicted to shopping.

Moeder is aan het winkelen.

Mother has gone shopping.

Tom is aan het winkelen.

Tom is shopping.

Ze ging ergens anders winkelen.

She went shopping elsewhere.

Ga je altijd alleen winkelen?

Do you always go shopping by yourself?

- Ik haat winkelen.
- Ik haat shoppen.

I hate shopping.

Normaal ga ik ‘s maandags niet winkelen.

I don't usually go shopping on Mondays.

Tom is aan het winkelen voor kerstcadeaus.

Tom is shopping for Christmas presents.

Ik zou liever niet alleen gaan winkelen.

I would rather not go shopping alone.

Tom wilde niet gaan winkelen met Maria.

Tom didn't want to go shopping with Mary.

Heb je zin om mee te gaan winkelen?

Would you like to go shopping with me?

- Ze is gaan shoppen.
- Ze is gaan winkelen.

- She has gone shopping.
- She went shopping.

Ik wil vandaag niet met je gaan winkelen.

I don't feel like going shopping with you today.

- We gaan morgen winkelen.
- Morgen gaan we shoppen.

We're going shopping tomorrow.

Ik ga minstens een keer per week winkelen.

I go shopping at least once a week.

Tom vroeg aan Mary waar ze gewoonlijk gaat winkelen.

Tom asked Mary where she usually went shopping.

- Ik moet gaan winkelen.
- Ik moet boodschappen gaan doen.

I have to go shopping.

- Maria en Natalia gaan winkelen. Ze willen iets kopen voor zichzelf.
- Maria en Natalia gaan winkelen. Ze willen iets voor henzelf kopen.

Maria and Natalia are going shopping. They want to buy something for themselves.

Maria en Natalia gaan winkelen. Ze willen iets kopen voor zichzelf.

Maria and Natalia go shopping. They buy something for themselves.

Maria en Natalia gaan winkelen. Ze willen iets voor henzelf kopen.

Maria and Natalia are going shopping. They want to buy something for themselves.

Tom is de hele dag al aan het winkelen voor kerstcadeaus.

Tom has been shopping for Christmas presents all day.

Ik stond op het punt om te gaan winkelen, toen jij belde.

I was just about to go out shopping when you telephoned.

- Ik wil wat winkelen in de buurt.
- Ik wil hier een paar dingen kopen.

I want to do some shopping around here.

Ik stond op het punt om te gaan winkelen, maar spijtig genoeg kreeg ik een verkoudheid.

I was about to go shopping, but unfortunately I got a cold.

- Heb je zin om morgen te gaan shoppen?
- Heb je zin om morgen te gaan winkelen?

Would you like to go shopping tomorrow?