Translation of "Hij" in Hungarian

0.026 sec.

Examples of using "Hij" in a sentence and their hungarian translations:

- Hij is overleden.
- Hij is dood
- Hij is gestorven.
- Hij stierf.

Meghalt.

- Hij denkt dat hij alles weet.
- Hij gelooft dat hij alles weet.

Azt hiszi, hogy mindent tud.

- Hij speelde vals.
- Hij bedroog.

Csalt.

- Hij vertrok.
- Hij ging weg.

Távozott.

- Hij hoestte.
- Hij heeft gehoest.

Köhögött.

- Weet hij?
- Weet hij ervan?

- Tudja?
- Ő tudja?

- Hij verkoopt groente.
- Hij verkoopt groenten.
- Hij verkoopt groentes.

Zöldségárus.

- Gedetailleerd vertelde hij wat hij zag.
- Gedetailleerd vertelde hij wat hij gezien had..

Részletesen elmagyarázta, amit látott.

- Hij heeft hem vermoord.
- Hij vermoordde hem.
- Hij heeft hem gedood.
- Hij doodde hem.

- Megölte őt.
- Megölte.
- Végzett vele.

- Hij is zelf gekomen.
- Hij kwam zelf.
- Hij kwam persoonlijk.

Személyesen jött.

- Hij werd geïrriteerd.
- Hij raakte geïrriteerd.

Felingerelték.

Hij liegt dat hij zwart ziet.

Úgy hazudik, hogy majd leszakad a mennyezet.

- Hij studeert Chinees.
- Hij leert Chinees.

Kínaiul tanul.

- Hij verraadde je.
- Hij verraadde u.

- Elárult téged.
- Cserben hagyott téged.

- Hij had koppijn.
- Hij had hoofdpijn.

Fájt a feje.

- Hij heeft opgehangen.
- Hij hing op.

Megszakította a hívást.

- Hij schrijft scripts.
- Hij schrijft scenario's.

Forgatókönyveket ír.

- Hij kan komen.
- Hij mag komen.

Jöhet.

- Hij is vriendelijk.
- Hij is aardig.

Kedves.

- Hij is ingedommeld.
- Hij dommelde in.

- Elbóbiskolt.
- Beszundított.

Hij zei dat hij arm was.

Azt mondta, hogy szegény.

- Hij slaapt waarschijnlijk.
- Waarschijnlijk slaapt hij.

Valószínűleg alszik.

- Hij werd opgepakt.
- Hij werd betrapt.

- Elfogták.
- Elkapták.

Hij deed alsof hij niet luisterde.

Úgy tett, mintha nem figyelne.

- Hij heeft geld.
- Hij bezit geld.

Van pénze.

- Hij wreekte zich.
- Hij nam weerwraak.

Megbosszulta magát.

- Waar is hij?
- Waar zit hij?

- Hol van?
- Hol van ő?
- Ő hol van?

- Hij is fotograaf.
- Hij is beroepsfotograaf.

Ő fényképész.

- Hij is hier!
- Daar is hij!

Itt van ő!

- Hij knuffelde haar.
- Hij omhelsde haar.

- Megölelte őt.
- Átölelte őt.

- Hij stond op.
- Hij ging staan.

Felállt.

- Hij is leraar.
- Hij is onderwijzer.

- Ő tanár.
- Tanár.

- Hij is onbeleefd.
- Hij is onbeschoft.

Túlontúl udvarias.

- Hij verafschuwt spinnen.
- Hij haat spinnen.

Utálja a pókokat.

Hij zei dat hij zou komen.

- Azt mondta, eljön.
- Mondta, hogy eljön.
- Azt mondta, el fog jönni.
- Mondta, hogy el fog jönni.

- Is hij lang?
- Is hij groot?

Ő magas?

- Hij was volhardend.
- Hij was hardnekkig.

Uralkodott magán.

Hij eet tot hij vol zit.

Eszik, míg jól nem lakik.

- Hij moet sterven.
- Hij moet dood.

Meg kell halnia.

Hij denkt dat hij iemand is, maar eigenlijk is hij niemand.

Valakinek hiszi magát, pedig valójában egy senki.

- Hij gelooft dat hij rijk is.
- Hij gelooft rijk te zijn.

Gazdagnak hiszi magát.

Hij probeert.

Megpróbálja.

Hij lachte.

Nevetett.

Hij huilde.

Ő sírt.

Hij leest.

Ő olvas.

Hij rent.

Fut.

Hij versnelde.

Gyorsított.

Hij eet.

Eszik.

Hij zweeg.

Csendben maradt.

Hij rende.

- Futott.
- Rohant.
- Szaladt.

Hij slaapt.

Ő alszik.

Hij verdween.

Eltűnt.

Hij kwam.

Megjött.

Hij las.

Olvasott.

Bestaat hij?

Létezik?

Hij liegt.

- Valótlant állít.
- Nem az igazat mondja.
- Hazudik!
- Ő hazudik!

Werkt hij?

Van munkája?

Hij stond.

Állt.

Hij remde.

Fékezett.

Hij zit.

Ül.

Slaapt hij?

Alszik?

Hij studeert.

Tanul.

- Hij draaide zich om.
- Hij heeft zich omgedraaid.
- Hij keerde zich om.
- Hij heeft zich omgekeerd.

Megfordult.

- Hij heeft het geschopt.
- Hij schopte het.
- Hij schopte er tegenaan.
- Hij heeft er tegenaan geschopt.

Megrúgta.

- Hij en alleen hij weet de hele waarheid.
- Hij en alleen hij kent de hele waarheid.

Ő és csak ő tudja a teljes igazságot.

- Hij verdient meer geld dan hij kan opdoen.
- Hij verdient meer geld dan hij kan uitgeven.

Több pénzt keres, mint amennyit el tud költeni.

Hij pleegde zelfmoord toen hij dertig was.

Megölte magát harminc éves korában.

Hij weet niet hoe hij moet antwoorden.

Nem tudja, hogyan reagáljon.

- Hij liegt.
- Hij is aan het liegen.

Hazudik.

- Hij sloeg haar.
- Hij heeft haar geslagen.

- Pofon vágta őt.
- Megpofozta őt.
- Adott neki egy pofont.
- Arcon ütötte őt.
- Felképelte.
- Lekent neki egyet.
- Adott neki egy sallert.
- Lezavart neki egyet.
- Adott neki egy maflást.
- Képen vágta őt.
- Arcul vágta.

Hij deed alsof hij een dokter was.

Orvosnak tettette magát.

- Hij is blond.
- Hij heeft blond haar.

- Szőke haja van.
- Szőke.

- Hij is rijk geworden.
- Hij werd rijk.

Meggazdagodott.

- Hij heeft dwaas gehandeld.
- Hij handelde dwaas.

Ostobán viselkedett.

- Hij viel achterover.
- Hij is achterover gevallen.

Visszaesett.

- Hij is een auteur.
- Hij is schrijver.

Ő egy szerző.

- Hij berispte haar.
- Hij heeft haar berispt.

Leszidta őt.

- Hij skatet.
- Hij is aan het skaten.

Korcsolyázik.

- Hij is aan het eten.
- Hij eet.

- Ő éppen eszik.
- Eszik.
- Éppen eszik.

- Hij zwemt graag.
- Hij houdt van zwemmen.

Szeret úszni.

- Plots was hij dood.
- Hij stierf plotseling.

Hirtelen halt meg.

- Is hij een leerkracht?
- Is hij leraar?

- Ő tanár?
- Tanár?

- Hij is een geluksvogel.
- Hij boft maar.

Szerencsés fickó.