Translation of "Was" in German

0.008 sec.

Examples of using "Was" in a sentence and their german translations:

- Was u!
- Was jezelf!

- Wasch dich.
- Waschen Sie sich!

Was!

Wasche!

- Dat was vreemd.
- Dat was raar.
- Dat was gênant.

- Das war peinlich.
- Das war ungeschickt.

- Ik was arts.
- Ik was geneesheer.
- Ik was een dokter.

Ich war ein Arzt.

- Waarom was jij mijn was?
- Waarom doe jij mijn was?

Warum wäschst du meine Wäsche?

- Ze was depressief.
- Ze was gedeprimeerd.

- Sie hatte Depressionen.
- Sie war depressiv.

- Was uw voeten.
- Was je voeten.

- Wasch deine Füße.
- Wasche deine Füße.
- Wasch dir die Füße.

- Tom was gewond.
- Tom was gekwetst.

Tom wurde verletzt.

- Tom was ontzet.
- Tom was geschrokken.

Tom war entsetzt.

- Tom was verbaasd.
- Tom was stomverbaasd.

Tom war erstaunt.

- Het was steenhard.
- Dat was keihard.

- Das war hart wie Stein.
- Er war steinhart.

- Tom was woedend.
- Tom was verontwaardigd.

Tom war empört.

- Ik was naïef.
- Ik was lichtgelovig.

- Ich war naiv.
- Ich war leichtgläubig.

- Ik was gefrustreerd.
- Ik was gedwarsboomd.

- Ich war entmutigt.
- Ich war frustriert.

- Tom was depressief.
- Tom was gedeprimeerd.

Tom war deprimiert.

- Ik was gelukkig.
- Ik was blij.

Ich war glücklich.

- Tom was nerveus.
- Tom was zenuwachtig.

Tom war nervös.

- Iedereen was daar.
- Iedereen was aanwezig.

Alle waren da.

- Ik was leraar.
- Ik was lerares.

- Ich war Lehrer.
- Ich war Lehrerin.
- Ich war ein Lehrer.

- Ze was lichtgelovig.
- Zij was lichtgelovig.

- Sie war naiv.
- Sie war einfältig.
- Sie war leichtgläubig.
- Sie war blauäugig.

- Ik was woedend.
- Ik was boos.

Ich war wütend.

- Was je daar?
- Was u daar?

- Warst du dort?
- Wart ihr dort?
- Wart ihr da?

- Je was moe.
- U was moe.

Du warst müde.

- Ik was stomdronken.
- Ik was dronken.

Ich war besoffen.

- Ik was nerveus.
- Ik was zenuwachtig.

Ich war nervös.

- Het was frisjes.
- Het was kil.

Es war frostig.

- Hij was volhardend.
- Hij was hardnekkig.

Er war beharrlich.

- Hij was vrijgevig.
- Hij was gul.

Er war großzügig.

- Jane was verontrust.
- Jane was ontsteld.

Jane war bekümmert.

- Het was verschrikkelijk!
- Het was vreselijk!

Es war schrecklich.

- Ik was uitgeput.
- Hij was uitgeput.

Ich war todmüde.

- Ze was perfect.
- Zij was perfect.

Sie war perfekt.

- Er was stilte.
- Het was stil.

Es herrschte Stille.

- Ik was mij.
- Ik was me.

Ich wasche mich.

Was jezelf!

Wasch dich.

Was alles!

Wasch alles!

- Er was niemand.
- Er was niemand aanwezig.
- Er was daar niemand.

- Es war niemand da.
- Da war niemand.

- Het was steenhard.
- Het was keihard.
- Het was zo hard als een kei.
- Het was bikkelhard.

- Es war steinhart.
- Das war hart wie Stein.

- Dat was heel plezant.
- Dat was heel amusant.
- Dat was heel grappig.
- Dat was heel plezierig.

Das war sehr amüsant.

Ze was mooi toen ze jong was.

Als junge Frau war sie eine Schönheit.

Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.

- Ungeachtet seiner Armut war er glücklich.
- Wenngleich arm, so war er doch glücklich.

- Er was niemand thuis.
- Niemand was thuis.

- Niemand war zu Hause.
- Es war niemand zu Hause.

- Er was niemand.
- Er was niemand aanwezig.

Da war niemand.

- Wat was dat?
- Wat was dat dan?

- Was war das?
- Was war das denn?

- Er was niemand daar.
- Er was niemand aanwezig.
- Er was daar niemand.

Es war niemand da.

- Hoe was jouw avond?
- Hoe was uw avond?
- Hoe was jullie avond?

- Wie war deine Nacht?
- Wie war eure Nacht?
- Wie war Ihre Nacht?

- Wiens idee was dit?
- Wiens idee was het?
- Wiens idee was dat?

Wessen Idee war das?

- Dit was zeer moeilijk.
- Dit was heel moeilijk.
- Dit was erg moeilijk.

- Das war sehr schwer.
- Das war sehr schwierig.

- Haar toespraak was uitmuntend.
- Haar speech was uitstekend.
- Zijn speech was uitstekend.

Ihre Rede war großartig.

- Was u nerveus?
- Was u zenuwachtig?
- Waren jullie zenuwachtig?
- Waren julie nerveus?
- Was jij nerveus?
- Was jij zenuwachtig?

- Waren Sie nervös?
- Warst du nervös?

- Dat was best cool.
- Dat was best te gek.
- Dat was best gaaf.

Das war schon was.

Ze was een kind, maar ze was dapper.

Sie war, obwohl sie noch ein Kind war, tapfer.

- Misschien was hij ziek.
- Hij was misschien ziek.

Er war vielleicht krank.

- Het antwoord was gemakkelijk.
- Het antwoord was makkelijk.

Die Antwort war leicht.

- Tom was er kapot van.
- Tom was ontroostbaar.

Tom war am Boden zerstört.

- Het was warm gisternacht.
- Gisternacht was het heet.

Letzte Nacht war es heiß.

- Hij was erg arm.
- Hij was heel arm.

Er war sehr arm.

Toen ze jong was, was ze zeer populair.

Sie war in ihrer Jugend sehr beliebt.

- Dat was geen ongeval.
- Het was geen ongeluk.

- Das war kein Unfall.
- Es war kein Unfall.

- Het bloed was felrood.
- Het bloed was helderrood.

Das Blut war hellrot.

- De geur was onuitstaanbaar.
- De geur was ondraaglijk.

- Der Geruch war unausstehlich.
- Der Geruch war nicht auszuhalten.

- Ik was niet nerveus.
- Ik was niet zenuwachtig.

Ich war nicht nervös.

- Er was niemand daar.
- Er was niemand aanwezig.

Es war niemand da.

- Hij was heel zenuwachtig.
- Hij was heel nerveus.

Er war sehr nervös.

- Het was heet gisteren.
- Gisteren was het heet.

Gestern war es warm.

- Het was een groepsinspanning.
- Het was een groepsprestatie.

Es war eine gemeinsame Anstrengung.

- Het was erg donker.
- Het was heel donker.

Es war sehr dunkel.

- Hoe was uw interview?
- Hoe was je interview?

- Wie war dein Interview?
- Wie war Ihr Interview?

- Gisteren was het koud.
- Het was gisteren koud.

Gestern war es kalt.

- Wiens idee was dit?
- Wiens idee was dat?

Wessen Idee war das?

- De lucht was blauw.
- De hemel was blauw.

Der Himmel war blau.

- Dat boek was nieuw.
- Dit boek was nieuw.

Das Buch war neu.

- Zijn antwoord was negatief.
- Zijn antwoord was ontkennend.

Seine Antwort war negativ.

- Zijn schuldgevoel was afgenomen.
- Zijn schuldgevoel was verminderd.

Sein Schuldgefühl hat abgenommen.

- Hij was erg blij.
- Hij was erg gelukkig.

- Er war sehr froh.
- Er war sehr erfreut.
- Er war äußerst glücklich.
- Er war sehr glücklich.

- Er was overal afval.
- Overal was er rommel.

Überall war Müll.

- Je gedrag was beschamend.
- Jouw gedrag was schandalig.

- Dein Betragen war schändlich.
- Ihr Verhalten war schändlich.

- Mijn vader was dokter.
- Mijn vader was arts.

Mein Vater war Arzt.

- Er was niemand aanwezig.
- Er was daar niemand.

Es war niemand da.

- Was dat niet geweldig?
- Was dat niet fantastisch?

War das nicht toll?

- Tom was heel nerveus.
- Tom was heel zenuwachtig.

Tom war sehr nervös.

- Tom was erg kwaad.
- Tom was erg boos.

Tom war sehr verärgert.

- Toen was ik getrouwd.
- Toen was ik gehuwd.

Damals war ich verheiratet.