Translation of "Hem" in French

0.031 sec.

Examples of using "Hem" in a sentence and their french translations:

- Volg hem.
- Volg hem!

- Suis-le !
- Suivez-le !
- Suivez-le !

- Bedek hem.
- Dek hem.

Couvrez-le.

- Help hem!
- Help hem.

- Aidez-le !
- Aide-le !

- Pak hem!
- Grijp hem!

- Attrapez-le !
- Capturez-le !

hem.

.

- Vraag het hem.
- Vraag hem.

Demande-lui.

- Hou hem tegen!
- Stop hem!

- Arrêtez-le !
- Arrête-le !

- Ze heeft hem verstikt.
- Zij heeft hem verstikt.
- Ze heeft hem gewurgd.
- Zij heeft hem gewurgd.
- Ze verstikte hem.
- Zij verstikte hem.
- Ze wurgde hem.
- Zij wurgde hem.

- Elle l'étrangla.
- Elle l'a étranglé.

- Wie hem kent, vindt hem aardig.
- Iedereen die hem kent vindt hem leuk.

Ceux qui le connaissent l'apprécient.

- Ze heeft hem geschopt.
- Ze schopte hem.
- Ze trapte hem.
- Ze heeft hem getrapt.

- Elle lui a donné un coup de pied.
- Elle lui donna un coup de pied.

- Je onderschat hem.
- U onderschat hem.
- Jullie onderschatten hem.
- Je doet hem te kort.

Tu le sous-estimes.

- Hij heeft hem vermoord.
- Hij vermoordde hem.
- Hij heeft hem gedood.
- Hij doodde hem.

- Il le tua.
- Il l'a tué.

Iedereen die hem kende bewonderde hem.

Tous ceux qui le connaissaient l'admiraient.

- Ze omhelsde hem.
- Ze knuffelde hem.

- Elle l'enlaça.
- Elle l'a enlacé.

Wie hem goed kent, respecteert hem.

Quiconque le connaît bien le respecte.

- Laat hem vrij.
- Laat hem vrij!

- Relâche-le !
- Relâchez-le !

- Geloven jullie hem?
- Geloof je hem?

- Vous fiez-vous à sa parole ?
- Est-ce que tu le crois ?
- Est-ce que tu le crois, lui ?

- Houd hem stil.
- Hou hem stil.

Tiens-le tranquille.

- Vertrouw hem niet.
- Geloof hem niet.

Ne le crois pas !

- Help hem alstublieft!
- Help hem alsjeblieft!

Aide-le, s'il te plaît !

- Ik maak hem af.
- Ik vermoord hem.
- Ik ga hem vermoorden.

Je le tuerai.

...vul hem.

vous la remplissez…

Negeer hem.

- Ne faites pas attention à lui.
- Ignorez-le.
- Ignore-le.

Volg hem!

- Suis-le !
- Suivez-le !
- File-le !

Pak hem!

- Capturez-le !
- Attrapez-le !
- Attrapez-le !
- Capturez-le !

Vergeet hem.

- Oublie-le.
- Oubliez-le.

Beschrijf hem.

- Décris-le.
- Décrivez-le.

Help hem.

Aide-le.

Volg hem.

File-le !

Grijp hem.

- Attrape-le.
- Attrapez-le.

Pak hem.

- Attrape-le !
- Rattrape-le.

Negeer hem!

Ne faites pas attention à lui.

Bedank hem.

Remercie-le.

Help hem!

Aidez-le !

Waarschuw hem.

- Prévenez-le.
- Préviens-le.

Schrijf hem.

- Écrivez-lui.
- Écris-lui.

Onterf hem!

Exhérédez-le !

Kalmeer hem.

- Calmez-le.
- Calme-le.

Bel hem!

- Appelez-le !
- Appelle-le !

Vertrouw hem.

- Faites-lui confiance.
- Fais-lui confiance.

- Iedereen houdt van hem.
- Iedereen mag hem.

- Tout le monde l'aime.
- Il est aimé de tous.

- Ik heb hem opgebeld.
- Ik belde hem.

Je lui ai téléphoné.

- Ze kuste hem.
- Ze heeft hem gekust.

- Elle l'a embrassé.
- Elle l'embrassa.

- Ze bedreigde hem.
- Ze heeft hem bedreigd.

- Elle le menaça.
- Elle l'a menacé.

- Ze heeft hem gebeld.
- Ze belde hem.

- Elle l'appela.
- Elle l'a appelé.

- Ze heeft hem gedumpt.
- Ze dumpte hem.

- Elle l'a plaqué.
- Elle l'a largué.

- Ze vergaf hem.
- Ze heeft hem vergeven.

- Elle lui pardonna.
- Elle lui a pardonné.

- Ze versloeg hem.
- Ze heeft hem verslagen.

Elle l'a battu.

- Ze schold hem uit.
- Ze beledigde hem.

Elle l'insulta.

- Ik hielp hem.
- Ik heb hem geholpen.

Je l'aidais.

- Zij hielpen hem.
- Zij hebben hem geholpen.

- Ils l'aidaient.
- Elles l'aidaient.

- Laat hem alleen.
- Laat hem met rust.

- Laissez-le seul.
- Laisse-le tranquille.
- Laissez-le tranquille.

- Ik heb hem gezien.
- Ik zag hem.

- Je l'ai vu.
- Je l’ai vu.
- Je le vis.

- Ik ga hem achterna!
- Ik achtervolg hem!

Je le poursuis !

- Val hem niet lastig!
- Stoor hem niet!

Ne le dérange pas !

- Kan je hem ontmoeten?
- Kunt u hem ontmoeten?
- Kunnen jullie hem ontmoeten?

Peux-tu le rencontrer ?

- Ze helpt hem.
- Zij helpt hem.
- Ze is hem aan het helpen.

- Elle l'aide.
- Elle est en train de l'aider.

- Je kan op hem vertrouwen.
- Je kan hem vertrouwen.
- Je kunt hem vertrouwen.

- On peut lui faire confiance.
- Tu peux lui faire confiance.
- Tu peux t'y fier.

- Laat het!
- Laat hem gaan!
- Laat hem met rust!
- Blijf van hem af!

Laisse-le !

- Bel hem alsjeblieft op.
- Bel hem alstublieft op.

- Veuillez lui téléphoner.
- Téléphone-lui, je te prie.

- Ze is met hem getrouwd.
- Ze trouwde hem.

- Elle l'a épousé.
- Elle l'épousa.

- Ze klaagde hem aan.
- Ze heeft hem aangeklaagd.

- Elle l'a poursuivi en justice.
- Elle le poursuivit en justice.
- Elle lui a fait un procès.
- Elle lui fit un procès.

- Ze viel hem aan.
- Ze heeft hem aangevallen.

Elle l'a attaqué.

- Ik zal hem verwittigen.
- Ik zal hem waarschuwen.

- Je le préviendrai.
- Je l'avertirai.

- Ge moet hem helpen.
- Je moet hem helpen.

Tu dois l'aider.

- Je zult hem vinden.
- Je zal hem vinden.

Tu le trouveras.

- Ik maak hem af.
- Ik ga hem vermoorden.

Je le tuerai.

- Ik zie hem morgennamiddag.
- Ik zie hem morgenmiddag.

Je le verrai demain après-midi.

- Je kan hem vertrouwen.
- Je kunt hem vertrouwen.

Tu peux lui faire confiance.

- Ik ga hem neerschieten.
- Ik ga hem neerknallen.

- Je vais le descendre.
- Je vais lui coller une balle entre les deux yeux.

- Iedereen houdt van hem.
- Iedereen ziet hem graag.

Tout le monde l'aime.

- Ik houd van hem.
- Ik hou van hem.

Je l'aime.

- Je onderschat hem.
- Je doet hem te kort.

Tu le sous-estimes.

- Geef hem aan!
- Geef hier!
- Verbind hem door!

Passe-le moi !

- We moeten hem oproepen.
- We moeten hem dagvaarden.

Il faut le convoquer.

- Laten we hem benoemen!
- Laten we hem nomineren!

Désignons-le !

De keizer hem.

lui dit l'Empereur

Breek hem hier.

Il suffit de le plier,

We pakken hem.

Je vais le prendre.

Zie je hem?

Vous la voyez ?