Translation of "Hij" in English

0.045 sec.

Examples of using "Hij" in a sentence and their english translations:

- Hij weifelde voordat hij antwoordde.
- Hij aarzelde voordat hij antwoordde.

He hesitated before answering.

- Hij rende weg.
- Hij rende.
- Hij liep.

He ran.

- Hij rende.
- Hij liep.

- He ran.
- He was running.

- Hij knipoogde.
- Hij knipperde.

- He blinked his eyes.
- He blinked.

- Hij schreeuwde.
- Hij gilde.

He cried out.

- Hij schaatst.
- Hij skatet.

He is skating.

- Hij is overleden.
- Hij is dood
- Hij is gestorven.
- Hij stierf.

- He is dead.
- He died.

- Hij stinkt.
- Hij is voddig.
- Hij is pissig.

He is cranky.

- Hij denkt dat hij alles weet.
- Hij gelooft dat hij alles weet.

He thinks he knows everything.

- Hij spreekt alsof hij alles weet.
- Hij praat alsof hij alles weet.

- He talks as if he knew everything.
- He speaks as if he knew everything.
- He speaks as though he knew everything.
- He talks as though he knew everything.
- He talks as if he knows everything.

Hij zegt wat hij denkt.

He's a plain speaker.

- Hij speelde vals.
- Hij bedroog.

He was cheating.

- Hij verschijnt.
- Hij verschijnt wel.

He does appear.

Hij weet wat hij doet.

He knows what he's doing.

- Hij loenste.
- Hij heeft geloenst.

He squinted.

- Hij grinnikte.
- Hij heeft gegiecheld.

- He chuckled.
- He giggled.
- He sneered.

- Hij vertrok.
- Hij ging weg.

- He left.
- He's gone.

Hij weifelde voordat hij antwoordde.

He hesitated before answering.

- Hij geeft les.
- Hij doceert.

He teaches.

- Hij dook.
- Hij is gedoken.

He dove.

- Hij hoestte.
- Hij heeft gehoest.

He coughed.

- Hij knipperde.
- Hij heeft geknipperd.

- He blinked his eyes.
- He blinked.

Hij weet waarover hij praat.

He knows what he's talking about.

- Hij ging.
- Hij is weggegaan.

He went.

- Weet hij?
- Weet hij ervan?

Does he know?

- Hij zuchtte.
- Hij heeft gezucht.

He sighed.

- Hij werd kwaad.
- Hij werd woedend.
- Hij werd razend.

- He got very mad.
- He became furious.

- Hij is hier!
- Daar is hij!
- Hier is hij!

Here he is!

- Hij verkoopt groente.
- Hij verkoopt groenten.
- Hij verkoopt groentes.

He sells vegetables.

- Hij schaatst.
- Hij skatet.
- Hij is aan het skaten.

He is skating.

- Hij maakte patat.
- Hij maakte friet.
- Hij maakte frietjes.

Tom was making French fries.

- Gedetailleerd vertelde hij wat hij zag.
- Gedetailleerd vertelde hij wat hij gezien had..

He explained in detail what he had seen.

- Hij zegt dat hij niet komt.
- Hij zegt dat hij niet zal komen.

He says he won't come.

- Hij ontkent dat hij dat gedaan heeft.
- Hij ontkent dat hij het gedaan heeft.

- He denies having done it.
- He denies that he did that.

- Hij heeft hem vermoord.
- Hij vermoordde hem.
- Hij heeft hem gedood.
- Hij doodde hem.

He killed him.

- Zodra hij mij zag, liep hij weg.
- Hij rende weg zodra hij mij zag.

- As soon as he saw me, he ran away.
- The moment he saw me he ran away.

- Hij loopt snel.
- Hij rent snel.
- Hij loopt hard.
- Hij is een snelle loper.

- He is a fast runner.
- He runs fast.

Hij zei dat hij zou komen, en hij is gekomen.

- He said he would come and he did come.
- He said he'd come and he did.

- Hij is zelf gekomen.
- Hij kwam zelf.
- Hij kwam persoonlijk.

He came in person.

- Hij gaf het op.
- Hij nam ontslag.
- Hij trad af.

He resigned.

- Hij ging akkoord.
- Hij stemde toe.
- Hij stemde ermee in.

He agreed.

- Hij is gek geworden.
- Hij is razend.
- Hij is woest.

He is really angry.

Hij dacht dat hij 23 was.

He thought he was 23.

Hij was uitgeput toen hij thuiskwam.

- He was worn out when he got home.
- He was exhausted when he got home.

- Hij spreekt goed.
- Hij praat goed.

- He talks well.
- He does speak well.

Hij eet tot hij vol zit.

He eats till he is full.

- Hij wreekte zich.
- Hij nam weerwraak.

- He revenged himself.
- He took revenge.

Hij voelde dat hij opgetild werd.

- He felt himself lifted up.
- He felt himself being lifted up.

Hij spreekt alsof hij alles weet.

- He talks as if he knew everything.
- He talks as though he knew everything.

Hij praat alsof hij alles weet.

He talks as if he knows everything.

- Hij kan lopen.
- Hij kan rennen.

He can run.

- Hij verraadde je.
- Hij verraadde u.

He betrayed you.

Hij zei dat hij arm was.

He said he was poor.

- Hij is zo.
- Zo is hij.

That's the way he is.

- Hij heeft geld.
- Hij bezit geld.

- He is in the money.
- He has money.

- Hij is vriendelijk.
- Hij is aardig.

He is kind.

- Hij stond op.
- Hij ging staan.

He stood up.

Hij doet alsof hij gay is.

He pretends to be gay.

- Hij heeft opgehangen.
- Hij hing op.

He hung up.

- Hij is ingedommeld.
- Hij dommelde in.

He dozed off.

- Hij schrijft scripts.
- Hij schrijft scenario's.

He writes scripts.

- Hij speelt daar.
- Daar speelt hij.

He is playing there.

Hij zegt dat hij niet komt.

He says he won't come.

- Hij slaapt waarschijnlijk.
- Waarschijnlijk slaapt hij.

He's probably sleeping.

- Hij studeert Chinees.
- Hij leert Chinees.

- He studies Chinese.
- He's studying Chinese.

- Hij kan komen.
- Hij mag komen.

He can come.

- Hij ging snel.
- Hij liep snel.

He walked rapidly.

Hij weet zeker dat hij komt.

He is sure that he will come.

Hij kan doen wat hij wil!

He can do what he wants!

- Hij had koppijn.
- Hij had hoofdpijn.

He had a headache.

- Hij werd opgepakt.
- Hij werd betrapt.

He got caught.

- Hij is homo.
- Hij is gay.

- He is gay.
- He's gay.

Hij deed alsof hij niet luisterde.

He pretended not to be listening.

- Hij is fotograaf.
- Hij is beroepsfotograaf.

He's a professional photographer.

- Hij is leraar.
- Hij is onderwijzer.

He is a teacher.

- Hij is onbeleefd.
- Hij is onbeschoft.

He is polite to a fault.