Translation of "Naar" in Hungarian

0.028 sec.

Examples of using "Naar" in a sentence and their hungarian translations:

We gaan naar Damascus, naar Sydney, naar Trinidad en Tobago.

Elmegyünk Damaszkuszba, Sidney-be, Trinidad és Tobagóba.

- Kom naar beneden!
- Kom naar beneden.

- Gyere le ide!
- Jöjj le ide!

- Ga naar buiten.
- Stap naar buiten.

Lépj ki!

naar iPods

iPodig,

- Tom liep naar huis.
- Tom is naar huis gelopen.
- Tom is naar huis gewandeld.
- Tom wandelde naar huis.

Tom hazasétált.

- Ze liepen naar boven.
- Zij liepen naar boven.
- Ze zijn naar boven gelopen.
- Zij zijn naar boven gelopen.

Felmentek az emeletre.

- Ik rende naar buiten.
- Ik ben naar buiten gerend.
- Ik liep naar buiten.
- Ik ben naar buiten gelopen.

- Kifutottam.
- Kirohantam.

- Ik ben naar beneden gerend.
- Ik rende naar beneden.
- Ik liep naar beneden.

Lefutottam az emeletről.

Van steen naar hamer, van mens naar mummie,

Kőből kalapács, emberből múmia,

- Kom dadelijk naar hier.
- Kom onmiddellijk naar hier.

Azonnal gyere ide!

- Haast je naar huis.
- Kom snel naar huis.

Siess haza!

- Kijk naar de lucht.
- Kijk naar de hemel.

Nézz az égre.

- Kom naar beneden!
- Kom naar beneden.
- Kom beneden.

Gyere le!

Ik ga vaker naar Brussel dan naar Parijs.

Gyakrabban megyek Brüsszelbe, mint Párizsba.

...naar Rocha brachten.

Rochába.

...dringt naar voren...

és a többiek elé tolakszik.

...naar gevaarlijke wateren.

veszélyes vizekre.

Naar het zuiden.

Délre.

Kom naar huis.

- Gyere vissza haza!
- Térj haza!

Kom naar beneden!

- Állítsd le magad!
- Nyugi van!
- Tedd magad takarékra!
- Csillapodjál már le!
- Vegyél vissza!
- Csillapodjál!
- Nyugodj le a picsába!
- Nyugi, bazd meg!
- Nyugodj már le!

Bel naar huis!

Telefonálj haza!

Kom naar buiten.

Gyere ki!

Stap naar voren.

- Lépj előre!
- Lépjen elő!

Kom naar voren.

- Gyere elő!
- Lépjen elő.

Ga naar boven.

Menj föl!

Ga naar bed.

Menj az ágyba!

Luister naar me.

Hallgass meg.

Ga naar huis.

- Menj haza.
- Menjen haza.

Ga naar school.

Menj iskolába!

Ga naar binnen.

Menj be!

Naar bed, nu!

Mars az ágyba!

Kom naar hier!

Gyere át!

Luister naar me!

- Ide hallgass!
- Hallgass rám!
- Figyelj rám!
- Hallod-e?

- Ik wil naar huis.
- Ik wil naar huis gaan.

Haza akarok menni.

- Ze ging naar boven.
- Ze is naar boven gegaan.

Felment az emeletre.

- Hij kwam naar beneden.
- Hij is naar beneden gekomen.

Lejött az emeletről.

- Ze ging naar binnen.
- Ze is naar binnen gegaan.

Bement.

- Hij verhuisde naar Tokyo.
- Hij is naar Tokyo verhuisd.

Átköltözött Tokióba.

- Hij liep naar huis.
- Hij is naar huis gelopen.

- Hazasétált.
- Gyalog ment haza.

- Ik rende naar huis.
- Ik ben naar huis gerend.

Hazafutottam.

- Zij verhuisde naar Duitsland.
- Ze is naar Duitsland verhuisd.

Németországba költözött.

- Tom is naar Australië verhuisd.
- Tom verhuisde naar Australië.

Tamás Ausztráliába költözött.

- Tom ging naar bed.
- Tom is naar bed gegaan.

Tom lefeküdt.

- Hij wil naar Amerika.
- Hij wil naar Amerika gaan.

El akar menni Amerikába.

- Breng me naar huis.
- Neem me mee naar huis.

Vigyél haza!

Ik luister graag naar muziek, naar jazzmuziek boven alles.

Szeretek zenét hallgatni, különösen dzsesszt.

- Tom is naar Australië gevlogen.
- Tom vloog naar Australië.

Tamás Ausztráliába repült.

- Ik reisde naar Australië.
- Ik ben naar Australië gereisd.

Ausztráliába utaztam.

- Wanneer ga je naar Europa?
- Wanneer gaat u naar Europa?
- Wanneer gaan jullie naar Europa?

Mikor mész Európába?

- Willen jullie naar de film of naar het theater?
- Wil je liever naar de bioscoop of naar het theater?
- Wilt u naar de bioscoop of het theater gaan?

Moziba vagy színházba akarsz menni?

- Tom is naar de stad gegaan.
- Tom ging naar de stad.
- Tom ging naar het centrum.
- Tom is naar het centrum gegaan.

Tom a belvárosba ment.

Ik breng je van Kuala Lumpur naar Barcelona naar Beiroet.

Kuala Lumpurtól Barcelonán át Bejrútig viszem önöket.

- Iemand duwde mij naar binnen.
- Iemand duwde me naar binnen.

Valaki betolt engem.

Tom zocht naar een vrouw zoals men naar goud zoekt.

Tom úgy keresett asszonyt, mint ahogy más arany után kutat.

- Ik ben teruggegaan naar Japan.
- Ik keerde naar Japan terug.

Visszamentem Japánba.

Deze zomer gaan we naar de bergen en naar zee.

Ezen a nyáron a hegyekbe megyünk és a tengerhez.

- Ik ga naar het vliegveld.
- Ik ga naar de luchthaven.

A repülőtérre megyek.

- Wanneer gaat ge naar huis?
- Wanneer ga je naar huis?

Mikor mész haza?

- Ga maar gewoon naar bed.
- Ga nou maar naar bed.

Csak menj vissza az ágyba.

- Wie luistert naar Tom?
- Wie luistert er nou naar Tom?

Ki hallgat Tamásra?

- Tom is verhuisd naar Boston.
- Tom is naar Boston verhuisd.

Tomi Bostonba költözött.

- Tom is naar Australië verhuisd.
- Tom is verhuisd naar Australië.

Tom Ausztráliába költözött.

- Naar welke school ga je?
- Naar welke school ga jij?

Melyik iskolába jársz?

- Luister goed naar mij.
- Luister goed naar wat ik zeg.

Jól figyelj arra, amit mondok!

- Niemand luisterde naar de toespraak.
- Niemand luisterde naar de speech.

Senki se hallgatta a beszédet.

- Ge moet naar huis gaan.
- Je moet naar huis gaan.

Haza kell menned.

- Hij ging te voet naar huis.
- Hij liep naar huis.
- Hij is te voet naar huis gegaan.

- Gyalog ment haza.
- Hazagyalogolt.

- De kamer rook naar tabak.
- De kamer stonk naar tabak.
- In de kamer stonk het naar tabak.

A szoba bűzlött a dohányfüsttől.

Kijk naar andere sites.

Nézzünk meg más oldalakat is.

Wel naar behoren werkt.

a szándéknak megfelelően működik-e?

Kijk naar grafiek één.

Nézzük meg az első ábrát!

Kijk naar dit kunstwerk.

Vessenek egy pillantást erre a műalkotásra.

We gingen naar huis.

Hazamentünk.

Luister er ook naar.

de figyeljünk is rá.

En tuurt naar buiten.

Onnan kukucskált kifelé.

Meteen weer naar beneden.

Majd egyenesen vissza.

Ik ga naar beneden...

Lemerültem, és...

Terug naar mijn vader.

Szóval, vissza Apámhoz.

En naar beneden druppelde.

és a víz lecsorog,

Hij vloog naar Parijs.

Párizsba repült.

Kijk naar deze foto.

- Nézd meg ezt a képet!
- Nézze meg ezt a képet!
- Nézzétek meg ezt a képet!
- Nézzék meg ezt a képet!

Ik ga naar bed.

Megyek lefeküdni.

Ik moet naar bed.

Le kell feküdnöm.

Ik wil naar Lviv...

Lembergbe szeretnék utazni.

We gingen naar Barcelona.

Barcelonába mentünk.

Meisjes, kom naar voren!

- Gyere ide, leányzó!
- Gyere ide, leányka!

Ze ging naar huis.

- Hazament.
- Elment haza.

Tom verlangde naar wraak.

- Tom bosszút akart állni.
- Tom revansot akart venni rajta.

Ze wees naar hem.

Rámutatott.

Kijk eens naar dit.

Vess rá egy pillantást!

Iedereen verlangt naar geluk.

Mindenki boldogságot kíván.