Translation of "Zijn" in Turkish

0.032 sec.

Examples of using "Zijn" in a sentence and their turkish translations:

- Zijn ouders zijn heel behoudend.
- Zijn ouders zijn heel conservatief.

Anne ve babası çok muhafazakar.

Zijn schoenen zijn bruin.

Onun ayakkabıları kahverengidir.

Zijn ogen zijn rood.

Onun gözleri kırmızıdır.

Zijn ogen zijn blauw.

Onun gözleri mavidir.

Zijn sokken zijn grijs.

Onun çorapları gridir.

Zijn tanden zijn geel.

Dişleri sarı.

Zijn handen zijn vies.

Onun elleri pis.

Zijn benen zijn lang.

Onun bacakları uzun.

We zijn zijn kinderen.

Biz, onun çocuklarıyız.

Zijn sokken zijn paars.

Onun çorapları mor.

Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.

- Onun tahminleri gerçekleşti.
- Onun tahminleri doğru çıktı.

- Haar ogen zijn blauw.
- Zijn ogen zijn blauw.

Onun gözleri mavidir.

- Ze zijn prachtig.
- Ze zijn schattig.
- Zij zijn schattig.
- Zij zijn prachtig.

Onlar güzel.

- Ze zijn ongevaarlijk.
- Zij zijn ongevaarlijk.
- Ze zijn onschadelijk.
- Zij zijn onschadelijk.

Onlar temiz kalpliler.

- Het zijn zusters.
- Het zijn zussen.
- Ze zijn zusters.
- Zij zijn zusters.

- Onlar kardeştir.
- Onlar kız kardeşler.

- Ze zijn onvolwassen.
- Ze zijn immatuur.
- Zij zijn onvolwassen.
- Zij zijn immatuur.

Onlar olgunlaşmamışlar.

Zijn antennes zijn zo gevoelig...

Antenleri o kadar hassas ki

Zijn kinderen zijn groot geworden.

Onun çocukları büyüdü.

Zijn beide grootvaders zijn dood.

İki dedesi de ölmüş.

Zijn beide broers zijn leraren.

Onun her iki erkek kardeşide öğretmendir.

Zijn foto's zijn erg bekend.

Onun resimleri çok ünlüdür.

Wij zijn met zijn drieën.

Üçümüz varız.

Zijn ouders zijn heel conservatief.

Anne ve babası çok muhafazakar.

Kan zijn verhaal waar zijn?

Onun hikayesi doğru olabilir mi?

Zijn beide ouders zijn dood.

Onun anne ve babası öldü.

- Het zijn spionnen.
- Ze zijn spionnen.
- Zij zijn spionnen.

Onlar casus.

- Toms ogen zijn blauw.
- Tom zijn ogen zijn blauw.

Tom'un gözleri mavidir.

- Toms ogen zijn groen.
- Tom zijn ogen zijn groen.

Tom'un gözleri yeşildir.

- Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.
- Zijn vader en moeder zijn beiden dood.

Annesi de babası da ölü.

- Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.
- Je ogen zijn groter dan je maag.

Bir insanın karnı doyar ama gözü doymaz.

- Lammetjes zijn baby schapen.
- Lammeren zijn babyschapen.
- Lammetjes zijn babyschapen.

Kuzular bebek koyundurlar.

Dat moet zijn grootste zorg zijn.

Bana kalırsa onun en büyük derdi bu olmalı.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

Onlar doktordur.

Zijn ideeën zijn moeilijk te begrijpen.

Onun fikirlerini anlamak zordur.

- Ze zijn vegetariërs.
- Zij zijn vegetariërs.

Onlar vejetaryen.

- We zijn mannen.
- Wij zijn mannen.

Biz erkeğiz.

- We zijn beschikbaar!
- We zijn vrij!

Özgürüz!

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

- Biz neredeyiz?
- Neredeyiz?

Zijn toestand had erger kunnen zijn.

Onun durumu daha kötü olabilirdi.

- Ze zijn binnen.
- Zij zijn binnen.

Onlar içeride.

- Dat zijn cadeaus.
- Dat zijn geschenken.

Onlar hediye.

We zijn zeker van zijn succes.

Biz onun başarısından eminiz.

- We zijn verloren.
- We zijn verdwaald.

Kaybolduk.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

Onlar şarkıcıdır.

- Ze zijn schattig.
- Ze zijn knap.

Onlar güzel.

- We zijn omsingeld.
- We zijn omringd.

Etrafımız sarıldı.

- Nachtmerries zijn angstaanjagend.
- Nachtmerries zijn eng.

Kabuslar korkutucudur.

- Ze zijn weg.
- Zij zijn weg.

Onlar gitti.

- Ze zijn duur.
- Zij zijn duur.

Onlar pahalı.

- Ze zijn klaar.
- Zij zijn klaar.

Onlar hazır.

- Ze zijn vertrokken.
- Zij zijn vertrokken.

Onlar gitti.

- Ze zijn veranderd.
- Zij zijn veranderd.

- Onlar değişti.
- Değiştiler.

- Ze zijn onbevreesd.
- Zij zijn onbevreesd.

Onlar korkusuz.

- Ze zijn fantastisch.
- Zij zijn fantastisch.

Onlar inanılmaz.

- Ze zijn uitgeput.
- Zij zijn uitgeput.

Onlar bitkin.

- Ze zijn uitstekend.
- Zij zijn uitstekend.

Onlar mükemmel.

- Ze zijn kwaadaardig.
- Zij zijn kwaadaardig.

Onlar kötü.

- Ze zijn vroeg.
- Zij zijn vroeg.

Onlar erken geldi.

- Ze zijn beneden.
- Zij zijn beneden.

Onlar alt kattalar.

- Ze zijn anders.
- Zij zijn anders.

Onlar farklı.

- Ze zijn stil.
- Zij zijn stil.

Onlar sakin.

- Ze zijn aardig.
- Zij zijn aardig.

Onlar güzel.

- Ze zijn nieuw.
- Zij zijn nieuw.

Onlar yenidir.

- Ze zijn laat.
- Zij zijn laat.

Onlar geç kaldı.

- Ze zijn kinderen.
- Zij zijn kinderen.

Onlar çocuklar.

- Ze zijn geïnteresseerd.
- Zij zijn geïnteresseerd.

Onlar ilgili.

- Ze zijn geweldig.
- Zij zijn geweldig.

Onlar büyük.

- Het zijn idioten.
- Het zijn dwazen.

Onlar aptal.

- Ze zijn raar.
- Zij zijn raar.

Onlar tuhaflar.

- Ze zijn nutteloos.
- Zij zijn nutteloos.

Onlar işe yaramaz.

- Ze zijn onvoorspelbaar.
- Zij zijn onvoorspelbaar.

Onların sağı solu belli olmaz.

- We zijn weerloos.
- Wij zijn weerloos.

Savunmasızız.

- We zijn wanhopig.
- Wij zijn wanhopig.

Çaresiziz.

- We zijn ervaren.
- Wij zijn ervaren.

Biz deneyimliyiz.

- Wij zijn vriendinnen.
- Wij zijn vrienden.

Biz arkadaşız.

- We zijn journalisten.
- Wij zijn journalisten.

Biz gazeteciyiz.

- Ze zijn duur.
- Die zijn duur.

Onlar pahalı.

- We zijn nerveus.
- We zijn zenuwachtig.

Biz gerginiz.

- Wij zijn rijk.
- We zijn rijk.

Biz zenginiz.

- We zijn avontuurlijk.
- Wij zijn avontuurlijk.

Maceraperestiz.

- Ze zijn bang.
- Zij zijn bang.

Onlar korkmuş.

- Ze zijn onbetrouwbaar.
- Zij zijn onbetrouwbaar.

Onlar güvenilmez.

- Zijn het criminelen?
- Zijn het misdadigers?

Onlar suçlu mu?

- Zijn ze weg?
- Zijn ze weggegaan?

Onlar gittiler mi?

- Wij zijn tuiniers.
- Wij zijn tuinmannen.

Biz bahçıvanız.

- Het zijn broers.
- Zij zijn broers.

Onlar kardeştir.

- Wij zijn Hongaars.
- Wij zijn Hongaren.

Biz Macarız.

- Het zijn broers.
- Zij zijn zusters.

Onlar kardeştir.

- Ze zijn veilig.
- Zij zijn veilig.

Onlar güvende.

- Eendenkuikentjes zijn schattig.
- Babyeendjes zijn schattig.

Bebek ördekler sevimliler.