Translation of "Naar" in German

0.009 sec.

Examples of using "Naar" in a sentence and their german translations:

- Ga naar huis.
- Ga terug naar huis.
- Ga naar huis!

- Geh nach Hause.
- Geh heim.

- Luister naar me.
- Luister naar me!

- Hör mir zu.
- Hör mir zu!

- Kom naar beneden!
- Kom naar beneden.

- Komme hier herunter!
- Kommen Sie hier herunter!
- Kommen Sie herunter!
- Kommt runter.
- Gehen Sie hinunter!
- Geht hinunter!
- Kommt herunter!
- Kommt nach unten!
- Kommen Sie nach unten!
- Gehen Sie runter!
- Geht runter!

- Ga naar huis!
- Kom naar binnen!

Komm rein!

- Luister naar haar.
- Luister naar hem.

Hör auf sie!

- Terug, terug!
- Naar achteren, naar achteren!

Zurück, zurück!

naar iPods

zu iPods übergangen

Naar beneden?

Nach unten?

We gaan naar beneden en naar rechts.

Okay, nach unten und rechts.

- Ga naar bed.
- Ga naar het bed.

Geh ins Bett!

- Goede reis naar huis!
- Veilige reis naar huis!
- Prettige reis naar huis!

Gute Heimreise!

- Tom liep naar huis.
- Tom is naar huis gelopen.
- Tom is naar huis gewandeld.
- Tom wandelde naar huis.

- Tom ging nach Hause.
- Tom ging zu Fuß nach Hause.
- Tom lief heim.

- Ze liepen naar boven.
- Zij liepen naar boven.
- Ze zijn naar boven gelopen.
- Zij zijn naar boven gelopen.

- Sie gingen die Treppe hinauf.
- Sie gingen treppauf.
- Sie gingen nach oben.

- Ik rende naar buiten.
- Ik ben naar buiten gerend.
- Ik liep naar buiten.
- Ik ben naar buiten gelopen.

Ich rannte nach draußen.

- Ik ben naar beneden gerend.
- Ik rende naar beneden.
- Ik liep naar beneden.

Ich rannte die Treppe hinunter.

Van steen naar hamer, van mens naar mummie,

Stein zum Hammer, Mensch zur Mumie,

- Luister naar me alstublieft.
- Luister naar me alsjeblieft.

- Hör mich an, ich bitte dich.
- Bitte höre mir zu.

- Haast je naar huis.
- Kom snel naar huis.

- Geh schnell nach Hause.
- Gehen Sie schnell nach Hause.

- Meer naar rechts rijden!
- Rij meer naar rechts!

Fahre mehr rechts!

- Alsjeblieft, luister naar mij!
- Luister naar me alsjeblieft!

Bitte, hört mir zu!

- Kijk naar de lucht.
- Kijk naar de hemel.

Betrachte den Himmel.

- Iedereen luistert naar je.
- Iedereen luistert naar jou.

Jeder hört dich.

Ik ga vaker naar Brussel dan naar Parijs.

Ich gehe öfter nach Brüssel als nach Paris.

- Luister naar me alsjeblieft.
- Luister alsjeblieft naar me.

- Hör mich an, ich bitte dich.
- Bitte höre mir zu.

- Kom naar beneden, alsjeblieft.
- Kom alstublieft naar beneden.

Bitte komme herunter.

- Ze gaat naar Ooita.
- Zij gaat naar Ooita.

Sie geht nach Ooita.

- Tom keek naar u.
- Tom keek naar je.

Tom sah dich an.

- Kom naar beneden!
- Kom naar beneden.
- Kom beneden.

- Komm herunter!
- Kommen Sie herunter!
- Komm runter.
- Kommen Sie runter.
- Kommt runter.
- Komm nach unten.
- Kommt herunter!
- Kommt nach unten!
- Kommen Sie nach unten!

- Kom dadelijk naar hier.
- Kom onmiddellijk naar hier.

Komm sofort hierher.

- Willen jullie naar de film of naar het theater?
- Wil je liever naar de bioscoop of naar het theater?

Möchtest du ins Kino oder ins Theater gehen?

Touw naar beneden.

Seil runter.

...dringt naar voren...

Er drängt sich nach vorn.

...naar gevaarlijke wateren.

In gefährliche Gewässer.

...naar Rocha brachten.

nach Rocha brachten.

24 naar huis .

24 nach Hause .

Ga naar school.

Geh in die Schule.

Luister naar me!

- Hört mich an!
- Hör mich an!

Ga naar huis!

Geh nach Hause!

Kom naar beneden!

Komm runter!

Bel naar huis!

- Ruf zuhause an!
- Rufen Sie zuhause an!

Kom naar buiten.

Komm nach draußen!

Stap naar voren.

- Tritt vor.
- Treten Sie vor.

Ga naar boven.

Geh die Treppe hoch.

Iedereen naar beneden!

Alle auf den Boden!

Kom naar voren.

- Melde dich.
- Tritt vor.
- Meldet euch.
- Tretet vor.
- Melden Sie sich.
- Treten Sie vor.

Kijk naar me!

Schau' mich an!

Ga naar binnen.

- Komm herein.
- Geh rein!
- Komm rein.

Ga naar links!

Wenden Sie sich nach links!

Naar het zuiden.

Nach Süden.

Kijk naar hem.

- Schau ihn an.
- Schaue ihn an.

Kom naar huis!

Komm nach Hause!

Kom naar voren!

- Gehen Sie weiter!
- Geht weiter!
- Fahren Sie weiter!
- Fahrt weiter!
- Weitergehen!
- Weiterfahren!

Luister naar dit.

Hör dir das an!

Kom naar huis.

- Kommt heim!
- Komm heim!

Ga naar bed.

- Geh schlafen!
- Geh ins Bett!
- Geht ins Bett!
- Legt euch schlafen!

Luister naar me.

Hör mir zu.

Kom naar binnen!

- Komm rein!
- Hereinspaziert!

Kom naar hier!

Komm hierher!

Luister naar jezelf.

Hör auf dich selbst.

Ga naar beneden!

- Geh hinunter!
- Gehen Sie hinunter!
- Geht hinunter!
- Geh runter!
- Gehen Sie runter!
- Geht runter!

Kijk naar beneden.

Guck runter.

- Ik ben teruggegaan naar Japan.
- Ik keerde naar Japan terug.
- Ik ging terug naar Japan.
- Ik ben naar Japan teruggegaan.

Ich bin nach Japan zurückgekommen.

- Ze zijn naar voren gekropen.
- Ze kropen naar voren.

Sie krochen voran.

- Hij kwam naar beneden.
- Hij is naar beneden gekomen.

Er kam die Treppe herunter.

- Ze ging naar binnen.
- Ze is naar binnen gegaan.

- Sie ging nach drinnen.
- Sie ist nach drinnen gegangen.

- Hij verhuisde naar Tokyo.
- Hij is naar Tokyo verhuisd.

- Er zog nach Tokio.
- Er ist nach Tokio gezogen.

- Ze ging naar boven.
- Ze is naar boven gegaan.

Sie ging nach oben.