Translation of "Zijn" in French

0.040 sec.

Examples of using "Zijn" in a sentence and their french translations:

- Zijn pompoenen zijn enorm.
- Zijn pompoenen zijn reusachtig.

Ses citrouilles sont énormes.

- Zijn ouders zijn heel behoudend.
- Zijn ouders zijn heel conservatief.

Ses parents sont très conservateurs.

Zijn schoenen zijn bruin.

Ses chaussures sont marron.

Zijn ogen zijn rood.

Ses yeux sont rouges.

We zijn zijn kinderen.

Nous sommes ses enfants.

Zijn ogen zijn blauw.

Ses yeux sont bleus.

Zijn sokken zijn grijs.

Ses chaussettes sont grises.

Zijn benen zijn lang.

Il a de longues jambes.

Zijn dagen zijn geteld.

Ses jours sont comptés.

Zijn tanden zijn geel.

Il a les dents jaunes.

Programmeertalen zijn zijn hobby.

Les langages de programmation sont son hobby.

Wij zijn zijn zonen.

- Nous sommes ses enfants.
- Nous sommes ses fils.

Zijn woorden zijn rustgevend.

Ses paroles sont apaisantes.

- Zijn beide ouders zijn dood.
- Zijn ouders zijn beiden al overleden.

Ses deux parents sont morts.

- Zijn benen zijn glad.
- Haar benen zijn glad.

Ses jambes sont lisses.

- Haar ogen zijn blauw.
- Zijn ogen zijn blauw.

Ses yeux sont bleus.

- Dat zijn zijn zaken.
- Dat zijn haar zaken.

Ce sont ses affaires.

- Ze zijn ongevaarlijk.
- Zij zijn ongevaarlijk.
- Ze zijn onschadelijk.
- Zij zijn onschadelijk.

- Ils sont inoffensifs.
- Elles sont inoffensives.
- Ils ne sont pas dangereux.
- Elles ne sont pas dangereuses.

- Het zijn zusters.
- Het zijn zussen.
- Ze zijn zusters.
- Zij zijn zusters.

Elles sont sœurs.

- Ze zijn onvolwassen.
- Ze zijn immatuur.
- Zij zijn onvolwassen.
- Zij zijn immatuur.

Ils sont immatures.

Zijn antennes zijn zo gevoelig...

Ses antennes sont si sensibles

Zijn kinderen zijn groot geworden.

Ses enfants ont grandi.

Zijn succes verheugde zijn ouders.

Son succès réjouissait ses parents.

Zijn foto's zijn erg bekend.

Ses photos sont très célèbres.

Zijn beide ouders zijn dood.

Ses parents sont morts.

Wij zijn met zijn drieën.

Nous sommes trois.

Zijn ouders zijn heel conservatief.

Ses parents sont très conservateurs.

Kan zijn verhaal waar zijn?

Son histoire peut-elle être vraie ?

Zijn ogen verraden zijn schrik.

Ses yeux trahissaient sa peur.

- Het zijn spionnen.
- Ze zijn spionnen.
- Zij zijn spionnen.

- Ce sont des espions.
- Ce sont des espionnes.

- Toms ogen zijn blauw.
- Tom zijn ogen zijn blauw.

Les yeux de Tom sont bleus.

- Deze zijn uitstekend.
- Ze zijn uitstekend.
- Zij zijn uitstekend.

- Elles sont excellentes.
- Ils sont excellents.

- Zijn er dagtochten?
- Zijn er dagtrips?
- Zijn er excursies?

Y a-t-il des excursions ?

- Slakken zijn traag.
- Slakken zijn sloom.
- Slakken zijn langzaam.

Les escargots sont lents.

- Zijn ze tevreden?
- Zijn ze gelukkig?
- Zijn ze blij?

Sont-ils heureux ?

- Het zijn vrienden.
- Ze zijn vrienden.
- Ze zijn bevriend.

Ce sont des amis.

- Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.
- Zijn vader en moeder zijn beiden dood.

Son père et sa mère sont tous deux morts.

- Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.
- Je ogen zijn groter dan je maag.

Avoir les yeux plus gros que le ventre.

- Zijn of niet zijn, daar gaat het om.
- Zijn of niet zijn is de vraag.
- Zijn of niet zijn, dat is de vraag.

Être ou ne pas être, telle est la question.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

- Ils sont médecins.
- Elles sont médecins.

Zijn vader schijnt advokaat te zijn.

- On dirait que son père est un avocat.
- Son père semble être avocat.

- Daar zijn ze.
- Dat zijn ze.

- Les voilà.
- C'est eux.
- C'est elles.

- We zijn mannen.
- Wij zijn mannen.

Nous sommes des hommes.

- We zijn beschikbaar!
- We zijn vrij!

Nous sommes libres !

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

Où sommes-nous ?

- Ze zijn verwant.
- Ze zijn bloedverwanten.

- Ils sont liés par le sang.
- Elles sont liées par le sang.

- Ze zijn binnen.
- Zij zijn binnen.

Ils sont à l'intérieur.

- Dat zijn cadeaus.
- Dat zijn geschenken.

Ce sont des cadeaux.

We zijn zeker van zijn succes.

- Nous sommes convaincus de son succès.
- Nous sommes convaincues de son succès.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

Ils sont chanteurs.

- We zijn omsingeld.
- We zijn omringd.

Nous sommes cernés.

- Ze zijn weg.
- Zij zijn weg.

- Ils sont partis.
- Elles sont parties.
- Il n'y en a plus.

- Ze zijn duur.
- Zij zijn duur.

- Ils sont onéreux.
- Elles sont onéreuses.

- Ze zijn klaar.
- Zij zijn klaar.

Elles sont prêtes.

- Ze zijn onbevreesd.
- Zij zijn onbevreesd.

- Ils n'ont peur de rien.
- Elles n'ont peur de rien.
- Ils sont intrépides.
- Elles sont intrépides.
- Ils ne craignent rien.
- Elles ne craignent rien.

- Ze zijn uitstekend.
- Zij zijn uitstekend.

- Elles sont excellentes.
- Ils sont excellents.

- Ze zijn vroeg.
- Zij zijn vroeg.

- Ils sont en avance.
- Elles sont en avance.

- Ze zijn beneden.
- Zij zijn beneden.

- Ils sont en bas.
- Ils sont en-dessous.
- Ils sont au-dessous.

- Ze zijn anders.
- Zij zijn anders.

- Ils sont différents.
- Elles sont différentes.

- Ze zijn stil.
- Zij zijn stil.

- Ils sont silencieux.
- Elles sont silencieuses.
- Ils sont calmes.
- Elles sont calmes.
- Ils sont tranquilles.
- Elles sont tranquilles.
- Ils sont discrets.
- Elles sont discrètes.

- Ze zijn nieuw.
- Zij zijn nieuw.

Ils sont nouveaux.

- Ze zijn geïnteresseerd.
- Zij zijn geïnteresseerd.

- Ils sont intéressés.
- Elles sont intéressées.

- Ze zijn geweldig.
- Zij zijn geweldig.

- Ils sont géniaux.
- Elles sont géniales.
- Ils sont formidables.
- Elles sont formidables.

- Het zijn idioten.
- Het zijn dwazen.

Elles sont dingues.

- Ze zijn raar.
- Zij zijn raar.

Ils sont bizarres.

- Ze zijn nutteloos.
- Zij zijn nutteloos.

- Ils sont inutiles.
- Elles sont inutiles.

- Ze zijn onvoorspelbaar.
- Zij zijn onvoorspelbaar.

- Ils sont imprévisibles.
- Elles sont imprévisibles.

- We zijn weerloos.
- Wij zijn weerloos.

Nous sommes sans défenses.

- We zijn wanhopig.
- Wij zijn wanhopig.

- Nous sommes désespérés.
- Nous sommes désespérées.

- We zijn ervaren.
- Wij zijn ervaren.

- Nous avons de l'expérience.
- Nous disposons d'expérience.

- Wij zijn vriendinnen.
- Wij zijn vrienden.

- Nous sommes amis.
- Nous sommes amies.

- We zijn journalisten.
- Wij zijn journalisten.

Nous sommes journalistes.