Translation of "Zijn" in French

0.016 sec.

Examples of using "Zijn" in a sentence and their french translations:

- Zijn pompoenen zijn enorm.
- Zijn pompoenen zijn reusachtig.

Ses citrouilles sont énormes.

- Zijn ouders zijn heel behoudend.
- Zijn ouders zijn heel conservatief.

Ses parents sont très conservateurs.

Zijn schoenen zijn bruin.

Ses chaussures sont marron.

Zijn ogen zijn rood.

Ses yeux sont rouges.

We zijn zijn kinderen.

Nous sommes ses enfants.

Zijn ogen zijn blauw.

Ses yeux sont bleus.

Zijn dagen zijn geteld.

Ses jours sont comptés.

Programmeertalen zijn zijn hobby.

Les langages de programmation sont son hobby.

Zijn benen zijn lang.

Ses jambes sont longues.

Zijn sokken zijn grijs.

Ses chaussettes sont grises.

Wij zijn zijn zonen.

- Nous sommes ses enfants.
- Nous sommes ses fils.

Zijn tanden zijn geel.

Il a les dents jaunes.

Zijn woorden zijn rustgevend.

Ses paroles sont apaisantes.

- Zijn beide ouders zijn dood.
- Zijn ouders zijn beiden al overleden.

Ses deux parents sont morts.

- Haar ogen zijn blauw.
- Zijn ogen zijn blauw.

Ses yeux sont bleus.

- Zijn benen zijn glad.
- Haar benen zijn glad.

Ses jambes sont lisses.

- Dat zijn zijn zaken.
- Dat zijn haar zaken.

Ce sont ses affaires.

- Ze zijn ongevaarlijk.
- Zij zijn ongevaarlijk.
- Ze zijn onschadelijk.
- Zij zijn onschadelijk.

- Ils sont inoffensifs.
- Elles sont inoffensives.
- Ils ne sont pas dangereux.
- Elles ne sont pas dangereuses.

- Ze zijn onvolwassen.
- Ze zijn immatuur.
- Zij zijn onvolwassen.
- Zij zijn immatuur.

Ils sont immatures.

- Het zijn zusters.
- Het zijn zussen.
- Ze zijn zusters.
- Zij zijn zusters.

Elles sont sœurs.

Zijn antennes zijn zo gevoelig...

Ses antennes sont si sensibles

Kan zijn verhaal waar zijn?

Son histoire peut-elle être vraie ?

Zijn kinderen zijn groot geworden.

Ses enfants ont grandi.

Zijn succes verheugde zijn ouders.

Son succès réjouissait ses parents.

Zijn foto's zijn erg bekend.

Ses photos sont très célèbres.

Wij zijn met zijn drieën.

Nous sommes trois.

Zijn beide ouders zijn dood.

Ses deux parents sont morts.

Zijn ogen verraden zijn schrik.

Ses yeux trahissaient sa peur.

Zijn ouders zijn heel conservatief.

Ses parents sont très conservateurs.

- Het zijn spionnen.
- Ze zijn spionnen.
- Zij zijn spionnen.

- Ce sont des espions.
- Ce sont des espionnes.

- Deze zijn uitstekend.
- Ze zijn uitstekend.
- Zij zijn uitstekend.

- Elles sont excellentes.
- Ils sont excellents.

- Zijn er dagtochten?
- Zijn er dagtrips?
- Zijn er excursies?

Y a-t-il des excursions ?

- Toms ogen zijn blauw.
- Tom zijn ogen zijn blauw.

Les yeux de Tom sont bleus.

- Slakken zijn traag.
- Slakken zijn sloom.
- Slakken zijn langzaam.

Les escargots sont lents.

- Het zijn vrienden.
- Ze zijn vrienden.
- Ze zijn bevriend.

Ce sont des amis.

- Zijn ze tevreden?
- Zijn ze gelukkig?
- Zijn ze blij?

Sont-ils heureux ?

- Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.
- Zijn vader en moeder zijn beiden dood.

Son père et sa mère sont tous deux morts.

- Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.
- Je ogen zijn groter dan je maag.

Avoir les yeux plus gros que le ventre.

- Daar zijn ze.
- Dat zijn ze.

- Les voilà.
- C'est eux.
- C'est elles.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

- Ils sont médecins.
- Elles sont médecins.

Zijn vader schijnt advokaat te zijn.

- On dirait que son père est un avocat.
- Son père semble être avocat.

- We zijn beschikbaar!
- We zijn vrij!

Nous sommes libres !

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

Où sommes-nous ?

- Dat zijn cadeaus.
- Dat zijn geschenken.

Ce sont des cadeaux.

We zijn zeker van zijn succes.

- Nous sommes convaincus de son succès.
- Nous sommes convaincues de son succès.

- Ze zijn binnen.
- Zij zijn binnen.

Ils sont à l'intérieur.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

Ils sont chanteurs.

- Ze zijn verwant.
- Ze zijn bloedverwanten.

- Ils sont liés par le sang.
- Elles sont liées par le sang.

- We zijn omsingeld.
- We zijn omringd.

Nous sommes cernés.

- Ze zijn weg.
- Zij zijn weg.

- Ils sont partis.
- Elles sont parties.
- Il n'y en a plus.

- Ze zijn duur.
- Zij zijn duur.

- Ils sont onéreux.
- Elles sont onéreuses.

- Ze zijn klaar.
- Zij zijn klaar.

Elles sont prêtes.

- We zijn wanhopig.
- Wij zijn wanhopig.

- Nous sommes désespérés.
- Nous sommes désespérées.

- We zijn ervaren.
- Wij zijn ervaren.

- Nous avons de l'expérience.
- Nous disposons d'expérience.

- Wij zijn vriendinnen.
- Wij zijn vrienden.

- Nous sommes amis.
- Nous sommes amies.

- We zijn journalisten.
- Wij zijn journalisten.

Nous sommes journalistes.

- We zijn weerloos.
- Wij zijn weerloos.

Nous sommes sans défenses.

- Ze zijn raar.
- Zij zijn raar.

Ils sont bizarres.

- Ze zijn nutteloos.
- Zij zijn nutteloos.

- Ils sont inutiles.
- Elles sont inutiles.

- Ze zijn onvoorspelbaar.
- Zij zijn onvoorspelbaar.

- Ils sont imprévisibles.
- Elles sont imprévisibles.

- Ze zijn stil.
- Zij zijn stil.

- Ils sont silencieux.
- Elles sont silencieuses.
- Ils sont calmes.
- Elles sont calmes.
- Ils sont tranquilles.
- Elles sont tranquilles.
- Ils sont discrets.
- Elles sont discrètes.

- Ze zijn nieuw.
- Zij zijn nieuw.

Ils sont nouveaux.

- Ze zijn geïnteresseerd.
- Zij zijn geïnteresseerd.

- Ils sont intéressés.
- Elles sont intéressées.

- Ze zijn geweldig.
- Zij zijn geweldig.

- Ils sont géniaux.
- Elles sont géniales.
- Ils sont formidables.
- Elles sont formidables.

- Het zijn idioten.
- Het zijn dwazen.

Elles sont dingues.

- Ze zijn onbevreesd.
- Zij zijn onbevreesd.

- Ils n'ont peur de rien.
- Elles n'ont peur de rien.
- Ils sont intrépides.
- Elles sont intrépides.
- Ils ne craignent rien.
- Elles ne craignent rien.

- Ze zijn uitstekend.
- Zij zijn uitstekend.

- Elles sont excellentes.
- Ils sont excellents.

- Ze zijn vroeg.
- Zij zijn vroeg.

- Ils sont en avance.
- Elles sont en avance.

- Ze zijn beneden.
- Zij zijn beneden.

- Ils sont en bas.
- Ils sont en-dessous.
- Ils sont au-dessous.

- Ze zijn anders.
- Zij zijn anders.

- Ils sont différents.
- Elles sont différentes.

- Ze zijn onbetrouwbaar.
- Zij zijn onbetrouwbaar.

- Elles ne sont pas fiables.
- Ils ne sont pas fiables.
- On ne peut pas compter sur eux.
- On ne peut pas compter sur elles.