Translation of "Heeft" in Italian

0.119 sec.

Examples of using "Heeft" in a sentence and their italian translations:

Heeft heeft succes in alles.

- Riesce in tutto.
- Lui riesce in tutto.

- Ze heeft geluk.
- Zij heeft geluk.

- È fortunata.
- Lei è fortunata.

- Tom heeft bekend.
- Tom heeft gebiecht.

- Tom ha confessato.
- Tom confessò.

- Hij heeft gewonnen.
- Zij heeft gewonnen.

Ha stravinto.

- Heeft Tom gereageerd?
- Heeft Tom geantwoord?

- Tom ha risposto?
- Tom rispose?

- Hij heeft niets.
- Ze heeft niets.

- Non ha niente.
- Lui non ha niente.
- Non ha nulla.
- Lui non ha nulla.
- Lei non ha nulla.
- Lei non ha niente.

- Tom heeft een keelontsteking.
- Tom heeft een keelamandelontsteking.
- Tom heeft tonsillitis.

Tom ha la tonsillite.

- Tom heeft het mis.
- Tom heeft ongelijk.

- Tom si sbaglia.
- Tom ha torto.

- Wie heeft je geslagen?
- Wie heeft u geslagen?
- Wie heeft jullie geslagen?

Chi ti ha colpito?

- U heeft helemaal gelijk.
- Hij heeft volkomen gelijk.
- Zij heeft helemaal gelijk.

Lei ha assolutamente ragione.

- Wat heeft Jean gedaan?
- Wat heeft Jean gemaakt?

Che cos'ha fatto Jean?

- Wie heeft Tom gedood?
- Wie heeft Tom vermoord?

Chi ha ucciso Tom?

- Ze heeft weinig vrienden.
- Zij heeft weinig vrienden.

- Ha pochi amici.
- Non ha molti amici.

- Zij heeft twee zusters.
- Ze heeft twee zussen.

- Ha due sorelle.
- Lei ha due sorelle.

- Misschien heeft Tom gelijk.
- Tom heeft misschien gelijk.

Tom può avere ragione.

- Tom heeft veel vrienden.
- Tom heeft veel vriendinnen.

Tom ha molte amiche.

- Waarschijnlijk heeft Tom gelijk.
- Tom heeft waarschijnlijk gelijk.

- Tom ha probabilmente ragione.
- Tom probabilmente ha ragione.

- Zij heeft je nodig.
- Zij heeft u nodig.

- Ha bisogno di te.
- Ha bisogno di voi.
- Ha bisogno di lei.
- Lei ha bisogno di te.
- Lei ha bisogno di voi.

- Hij heeft je nodig.
- Hij heeft u nodig.

- Ha bisogno di te.
- Lui ha bisogno di te.
- Ha bisogno di voi.
- Lui ha bisogno di voi.
- Ha bisogno di lei.
- Lui ha bisogno di lei.

- Zij heeft geld nodig.
- Ze heeft geld nodig.

- Ha bisogno di soldi.
- Lei ha bisogno di soldi.

- Zij heeft je nodig.
- Hij heeft je nodig.

- Ha bisogno di te.
- Lui ha bisogno di te.

- Ze heeft grote borsten.
- Zij heeft grote borsten.

- Ha il seno grande.
- Lei ha il seno grande.

- Tom heeft geen creditcard.
- Tom heeft geen kredietkaart.

Tom non ha una carta di credito.

- Tom heeft het verbeterd.
- Tom heeft het gecorrigeerd.

- Tom l'ha corretto.
- Tom l'ha corretta.
- Tom lo corresse.
- Tom la corresse.

- Ze heeft twintig kinderen.
- Zij heeft twintig kinderen.

- Ha venti figli.
- Lei ha venti figli.

- Heeft Tom een tatoeage?
- Heeft Tom een tattoo?

Tom ha un tatuaggio?

- Ze heeft hulp nodig.
- Hij heeft hulp nodig.

- Lei ha bisogno d'aiuto.
- Ha bisogno di aiuto.
- Lei ha bisogno di aiuto.
- Ha bisogno d'aiuto.

- Hij heeft zelfmoord gepleegd.
- Hij heeft zichzelf omgebracht.

- Si è ucciso.
- Lui si è ucciso.
- Si uccise.
- Lui si uccise.
- Lui si è suicidato.
- Si suicidò.
- Lui si suicidò.

- Uiteindelijk heeft Tom bekend.
- Tom heeft eindelijk bekend.

- Alla fine Tom ha confessato.
- Tom ha finalmente confessato.

- Hij heeft een beslissing genomen.
- Hij heeft besloten.

- Ha deciso.
- Decise.

- Ze heeft weinig vrienden.
- Zij heeft weinig vrienden.
- Ze heeft niet zo veel vrienden.

- Non ha molti amici.
- Lei non ha molti amici.
- Non ha molte amiche.
- Lei non ha molte amiche.

Iedereen heeft zwakheden.

- Tutti hanno delle debolezze.
- Hanno tutti delle debolezze.

Tom heeft huurachterstand.

Tom è indietro con il suo affitto.

Heeft Bob gelijk?

Bob ha ragione?

Heeft u tatoeages?

- Hai qualche tatuaggio?
- Ha qualche tatuaggio?
- Avete qualche tatuaggio?
- Hai dei tatuaggi?
- Tu hai dei tatuaggi?
- Ha dei tatuaggi?
- Lei ha dei tatuaggi?
- Avete dei tatuaggi?
- Voi avete dei tatuaggi?
- Tu hai qualche tatuaggio?
- Lei ha qualche tatuaggio?
- Voi avete qualche tatuaggio?

Heeft hij broers?

Ha fratelli?

Hij heeft hoofdpijn.

- Ha il mal di testa.
- Lui ha il mal di testa.

Tom heeft allergieën.

Tom ha delle allergie.

Tom heeft oorpijn.

Tom ha male alle orecchie.

Tom heeft artritis.

Tom ha l'artrite.

Tom heeft astma.

Tom ha l'asma.

Heeft hij gelijk?

- Ha ragione?
- Lui ha ragione?

Tom heeft kanker.

- Tom ha un tumore.
- Tom ha un cancro.

Heeft u gereserveerd?

- Avete prenotato?
- Ha prenotato?

Hij heeft geboerd.

- Ha ruttato.
- Lui ha ruttato.
- Ruttò.
- Lui ruttò.

Tom heeft heimwee.

Tom ha nostalgia di casa.

Ze heeft ongelijk.

- Lei ha torto.
- Si sbaglia.
- Lei si sbaglia.
- Ha torto.

Tom heeft scheurbuik.

Tom ha lo scorbuto.

Heeft u honger?

Ha fame?

Iedereen heeft gebreken.

- Tutti hanno difetti.
- Tutti hanno dei difetti.

Tom heeft prostaatkanker.

Tom ha un tumore alla prostata.

Zij heeft wijn.

- Ha del vino.
- Lei ha del vino.
- Ha il vino.
- Lei ha il vino.

Tom heeft anorexia.

Tom è anoressico.

Heeft Tom gebeld?

Tom ha chiamato?

Ze heeft borstkanker.

- Ha un cancro al seno.
- Lei ha un cancro al seno.

Tom heeft verloren.

- Tom ha perso.
- Tom perse.

Niemand heeft gelogen.

- Nessuno ha mentito.
- Nessuno mentì.

Tom heeft gefaald.

- Tom ha fallito.
- Tom fallì.

Tom heeft gelijk.

Tom ha ragione.

Iedereen heeft betaald.

- Tutti hanno pagato.
- Hanno pagato tutti.
- Tutti pagarono.
- Pagarono tutti.

Niemand heeft gebeld.

Non ha chiamato nessuno.

Tom heeft bekend.

Tom ha confessato.

Tom heeft honger.

- Tom ha fame.
- Tom è affamato.

Tom heeft teruggevochten.

- Tom ha risposto al fuoco.
- Tom rispose al fuoco.

Heeft Tom gehuild?

Tom ha pianto?

Heeft Tom gegeten?

Tom ha mangiato?

Heeft Tom geholpen?

Tom ha aiutato?

Wie heeft geluisterd?

Chi ha ascoltato?

Wie heeft bijgedragen?

Chi ha contribuito?

Tom heeft bijgedragen.

- Tom ha contribuito.
- Tom contribuì.

Amerika heeft vijanden.

L'America ha dei nemici.

Wie heeft het?

Chi ce l'ha?

Wie heeft tijd?

Chi ha tempo?

Heeft Tom honger?

- Tom ha fame?
- Tom è affamato?

Heeft Tom gelijk?

Tom ha ragione?

Tom heeft geld.

- Tom ha dei soldi.
- Tom ha del denaro.

Tom heeft niets.

- Tom non ha niente.
- Tom non ha nulla.

Ze heeft anorexia.

- È anoressica.
- Lei è anoressica.

Tom heeft kippen.

- Tom ha dei polli.
- Tom ha delle galline.

Tom heeft geskied.

Tom sciava.

Maria heeft dorst.

Mary ha sete.

Heeft Tom kinderen?

Tom ha dei figli?

Niemand heeft honger.

- Nessuno ha fame.
- Nessuno è affamato.

Heeft u werkervaring?

- Avete un'esperienza professionale?
- Ha un'esperienza professionale?
- Hai un'esperienza professionale?

Tom heeft schapen.

Tom ha delle pecore.

Tom heeft konijnen.

Tom ha dei conigli.

Hij heeft plannen.

- Ha dei piani.
- Lui ha dei piani.

Tom heeft plannen.

Tom ha dei piani.

Ze heeft plannen.

- Ha dei piani.
- Lei ha dei piani.

Maria heeft plannen.

Mary ha dei piani.