Translation of "Bent" in English

0.024 sec.

Examples of using "Bent" in a sentence and their english translations:

- Je bent humeurig.
- Jij bent humeurig.
- Je bent wispelturig.
- Jij bent wispelturig.
- Je bent driftig.
- Jij bent driftig.

- You're temperamental.
- You're cranky.
- You are temperamental.

- Je bent vrijgevig.
- Je bent gul.
- U bent vrijgevig.
- U bent gul.

You're generous.

Je bent wat je bent.

You can't help being what you are.

- Je bent prachtig!
- Je bent schitterend!
- Je bent beeldschoon!

- You look awesome!
- You look incredible.
- You look awesome.

- U bent rijk.
- Je bent rijk.
- Jij bent rijk.

- You are rich.
- You're rich.
- You're wealthy.

- Je bent chagrijnig.
- Jullie zijn chagrijnig.
- Je bent humeurig.
- Jij bent humeurig.
- Je bent driftig.
- Jij bent driftig.
- Jij bent chagrijnig.

- You're moody.
- You're cranky.
- You are cranky.
- You are moody.

- Je bent dom.
- Jij bent stom.

- You are stupid.
- You're stupid.

- Jij bent mooi.
- Je bent mooi.

- You are beautiful.
- You're beautiful.
- You're pretty.

- Je bent gemoedelijk.
- Je bent onbekommerd.

You're happy-go-lucky.

- Je bent veranderd.
- U bent veranderd.

- You've changed.
- You have changed.

- Je bent ziek!
- Je bent gestoord.

You're nuts.

- Jij bent wijs.
- Je bent wijs.

You're wise.

- Je bent onpartijdig.
- U bent onpartijdig.

You're unbiased.

- U bent nerveus.
- Jij bent nerveus.

You're nervous.

- U bent hier.
- Je bent hier.

- You're here.
- You are here.

- Jij bent professor.
- U bent professor.

You are a professor.

- Je bent ongelofelijk!
- U bent ongelofelijk.

- You're incredible.
- You're unbelievable.

- Jij bent dapper.
- Je bent moedig.

You're courageous.

- Jij bent ondeugend.
- Je bent gemeen.

- You are naughty.
- You're mean.

- Je bent bescheiden.
- Jij bent bescheiden.

You're modest.

- U bent grappig.
- Je bent grappig.

- You're funny.
- You're fun.
- You are funny.

- Je bent verontschuldigd.
- U bent verontschuldigd.

- You are excused.
- You're excused.

- Je bent geel.
- Jij bent geel.

You're yellow.

- U bent ziek!
- Je bent ziek!

- You're sick!
- You're sick.

- Je bent rijk.
- Jij bent rijk.

- You are rich.
- You're rich.
- You're wealthy.

- Jij bent oud.
- Je bent oud.

You're old.

- Je bent slank.
- Jij bent dun.

You're thin.

- U bent oud.
- Je bent oud.

You're old.

- Je bent geweldig.
- Je bent fantastisch.

You are fantastic.

- Jij bent degene.
- Jij bent het.

You are the one.

- Je bent slecht.
- Je bent gemeen.

- You're bad.
- You're mean.
- You're naughty.

- Je bent mooi.
- Je bent knap.

You're cute.

- Je bent bedrogen.
- Je bent belazerd.

You have been duped.

- Je bent vrij.
- U bent vrij.

- You're free.
- You are free.

- Je bent zo blank!
- Je bent zo wit!
- Je bent spierwit!
- Je bent zo bleek!

You are so white!

- Je bent een leraar.
- Je bent een lerares.
- Je bent leerkracht.

- You are a teacher.
- You're a teacher.
- You teach.

- Je bent mijn buurman.
- Je bent mijn buurvrouw.
- U bent mijn buurman.
- U bent mijn buurvrouw.

You're my neighbor.

- Jij bent aan de beurt.
- Jij bent.

- It's your move.
- It's your turn.

- Je bent beter geworden.
- Je bent hersteld.

You recovered.

- Je bent te vertrouwen.
- Je bent betrouwbaar.

- You're reliable.
- You are reliable.

- Je bent verdikt.
- Je bent dik geworden.

- You've grown fat.
- You've got fat.

- Je bent een leraar.
- Je bent leerkracht.

- You are a teacher.
- You're a teacher.

- Je bent taai.
- Je bent een harde.

You're tough.

- Jij bent een persoon.
- Je bent iemand.

- You're a human.
- You're a person.

- Je bent een lerares.
- Je bent leerkracht.

You are a teacher.

- Je bent terug!
- Je bent er weer!

You're back!

- Je bent vast moe.
- Je bent moe, niet?
- Je bent moe, nietwaar?

- You are tired, aren't you?
- You're tired, aren't you?

- U bent rijk.
- Jullie zijn rijk.
- Je bent rijk.
- Jij bent rijk.

- You are rich.
- You're rich.

- Jij bent oud.
- U bent oud.
- Jullie zijn oud.
- Je bent oud.

- You're old.
- You are old.

- Jij bent wijs.
- Je bent wijs.
- U bent wijs.
- Jullie zijn wijs.

You're wise.

- Jij bent mijn vijand.
- Je bent mijn vijand.
- U bent mijn vijand.

You're my enemy.

- Je bent raar.
- U bent raar.
- Jullie zijn raar.
- Je bent vreemd.
- U bent vreemd.
- Jullie zijn vreemd.
- Je bent apart.
- Jij bent apart.
- Jullie zijn apart.

- You're weird.
- You are weird.

- Jij bent mijn vader.
- U bent mijn vader.

You are my father.

- Je bent een nietsnut.
- Je bent een deugniet.

- You're useless.
- You're a good-for-nothing.

- Je bent moe, niet?
- Je bent moe, nietwaar?

- You are tired, aren't you?
- You're tired, aren't you?

- U bent mijn held.
- Je bent mijn held.

- You are my hero.
- You're my hero.

- Je bent een vrouw.
- U bent een vrouw.

- You're a woman.
- You are a woman.

- Je bent erg sexy.
- U bent erg sexy.

You're very sexy.

- Jij bent een verrader.
- Je bent een verrader.

- You're a traitor.
- You are a traitor.

- U bent een moordenaar.
- Jij bent een moordenaar.

You're a murderer.

- Je bent een spion.
- U bent een spion.

You're a spy.

- Je bent een dief.
- U bent een dief.

- You're a thief.
- You are a thief.

- Jij bent mijn favoriet.
- U bent mijn favoriet.

You're my favorite.

- Jij bent onze buurman.
- Jij bent onze buurvrouw.

You're our neighbor.

- Je bent verward.
- Je bent in de war.

- You're confused.
- You are confused.

- Jij bent een hond.
- U bent een hond.

- You're a dog.
- You are a dog.

- Je bent heel ziek.
- U bent erg ziek.

You're very sick.

- Jij bent Tom, niet?
- Jij bent Tom, nietwaar?

You're Tom, aren't you?

- U bent zo ongeduldig.
- Je bent zo ongeduldig.

You're so impatient.

- Jij bent een man.
- U bent een man.

You're a man.

- U bent erg moedig.
- Je bent heel moedig.

- You are very brave.
- You are very courageous.
- You're very brave.

- Je bent heel mooi.
- Je bent erg knap.

- You are very beautiful.
- You're very pretty.
- You're very beautiful.

- Jij bent mijn koningin.
- U bent mijn koningin.

You are my queen.

- Jij bent een wiskundeleraar.
- U bent een wiskundeleraar.

- You are a math teacher.
- You're a math teacher.

- Je bent zeer oplettend.
- Je bent zeer nauwlettend.

You're very attentive.

- Je bent kleurenblind, toch?
- U bent kleurenblind, toch?

You're colorblind, aren't you?

- Je bent een engel!
- Je bent een engel.

You're an angel.